Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

zich neerleggen bij de samenvoeging tot één geheel van de drie Satze Peters No. 1, öf men moet het aantal der volledige pianosonates, die Mozart heeft gecomponeerd, van het getal 17, dat gewoonlijk wordt opgegeven, terug brengen tot 16.

De leek en de nog veel grootere leek

door

TRUUS VAN HOUTUM—NENNSTIEHL

De leek zit voor zijn les te blokken en studeert de g-dur prelude van Chopin. Naar het voorschrift van zijn leeraar wordt de bewegelijke linkerhandpartij als studiemateriaal op alle mogelijke manieren uitgebuit, zoodat de gestadig aanrollende golf nu eens normaal-gelijkmatig rolt, dan weer met toepassing van een andere rhytmiek zijn heele golfkarakter door de stootende figuren gaat verliezen. Maar hij doet braaf zijn plicht, om ten slotte de prelude nog eens te „genieten", zooals ze daar staat.

De nog veel grootere leek (van zijn krant opkijkend): „Dat is zeker een etude, wat je daar speelt!?"

De leek: ,,N.. ee, eigenlijk niet bepaald. Het is een prelude van Chopin. Ik ken weinig muziek van hem, waarin hij zich zóó onbekommerd blij uit. Het komt misschien, doordat ik weet, dat Chopin die preludes op Majorca heeft gemaakt, maar ik moet telkens aan de zee denken, als ik ze speel. Hierin b.v. voel ik het dartel spel van de telkens weer aanrollende en wegebbende golven op een stralend-blijen zomerdag."

De n. v. gr. leek (die anders wel van Chopin houdt): „Nou, dat kan jij er nu wel allemaal in hooren, maar ik vind het nogal vervelend, altijd maar door: ,,ta ta ta ta ta ta ta ta ta ta ta ta ta ta ta ta". (hij imiteert de gezongen golf).

De leek: „Ja maar, je hoort hem zoo niet normaal. Veel te vaak hetzelfde, dat gaat irriteeren. Maar als ik op dit oogenblik voor mijn genoegen zat te spelen.

dan had je zeker vóór deze prelude de vorige gehoord; deze: (hij begint de amoll prelude, die zoo anders zingt met haar eentonig-klagende bas, haar statige ernstige zinnen,haar schrijnenden weemoed, die ten slotte tot een troostelooze verlatenheid wordt.) „Als je na de verzonkenheid van dat laatste accoord de g-dur prelude begint, dan voel je plotseling een blijde opleving. Dan besef je weer eens, dat het leven ook nog wat anders brengt dan radeloosheid in de diepste ellende, dan weet je, hoe rijk dat heerlijke leven toch ook is, en een gevoel van gezondheid en frissche kracht doorstroomt je. Je mag dus die prelude van het nieuwe blijde vertrouwen niet zoo afkammen, hoor! De vorige is zeker niet minder een zeestuk, want doe je oogen maar eens dicht voor dat vage ruischen, dan voel je de zeestemming."

De n. v. gr. leek: „Ja maar, wat je daar speelt, vind ik veel mooier, dan dat van straks".

De leek, wetend dat het nu geen tijd voor gedichten lezen is, grijpt met meer berusting dan gewoonlijk zijn Czerny, en heeft weer den moed, een poos muziek te studeeren zonder „muziek." jrjiMiM i Jir;iinr!iijir jrjiriirjiiii ji^ii jjinrjNiirjiiiiiiif jrjiifiiijjicjii iiijifij jii ii iMiiiiiiiiii'jif lui'iiiiiJiriiijriiriiciiiiiiiririiJEii Over Gehoorsmisleiding bij dc Zangstudie

door

Dr. W. REINECKE, Leipzig, vertaald door N. HULSMAN.

In den grond genomen is goed zangonderwijs niets anders, als een onbewuste strijd tusschen het fijnere oor van den leeraar en het grovere van den leerling. Zeker erkent de leerling direct de autoriteit van den leeraar, maar de klankidealen van beiden zijn in het begin zóó verschillend van elkander, de foutieve klanken bij den leerling zóó diep geworteld, dat de leerling zich slechts langzaam, aarzelend, ja zelfs onwillig, van zijn vroeger toonideaal kan

Sluiten