Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

140

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

stukken ondieper door virtuositeit. Ook in zijn stofkeus is hij stellig een echt impressionist. Ook hij heeft de moderne symbolisten tot dichters. En zooals Debussy koketteert met Monteverdi, Rameau, Haydn, zoo hij met Haydn. Hij schrijft een menuet, een sonatine die met het oude begrip van klassieke vormen nog veel minder uitstaande heeft dan een van Reger. Een strijkkwartet, de klaviercyclussen Miroirs en Gaspard de la Nuit maken 't beeld vollediger. Inzonderheid de laatste, hoogst eigenaardige reeks is ongemeen karakteristiek, niet alleen voor den impressionist Ravel maar voor heel het Fransch muzikaal impressionisme. Zooals in een prisma weerspiegelen daarin zijn voornaamste trekken met wonderlijke straalbreking. De verfranschte paraphrase van de la Motte Fouqué's Lïndine-lieflijkheid laat merken (evenals ook zijn Jeux d'eau) hoe het vluchtig en het vloeibaar element, wind en water, bij Frankrijk's impressionisten bemind zijn. Het fantastische schemertafreel van de galg (Le gibet) neemt de spokige griezeligheid, die geaccentueerd is door den grooten, in Frankrijk thuis geworden Amerikaanschen etser Mac Neil Whistier in de muziek op, en zet het voort in E. T. A. Hoffmann's vizioen van Scarbo. Door deze muziek is Ravel onmiskenbaar Debussy verwant, en even goed kent hij blijkens den Sheheranadeliederencyclus het Oostersche sprookjesland, blijkens de Grieksche volkswijzen en de symphonische fragmenten Daphnis en Chloë klassieke landen, blijkens de kinderstukjes Ma Mère 1'Oye de moderne kinderkamer, Debussy's Childrens Corner. En evenals Debussy met zijn Spaansche stemmingenweergaven ontdekte hij met zijn muziekcomedie 1'Heure espagnole, zijn Spaansche rhapsodie voor orkest en Alborada de grazioso voor piano ten derden male sedert Chabrier's en Lalo's Rhapsodies espagnoles Iberië's gloeiende toonkunstkleuren."

Niemann heeft hier als gewoonlijk een suggestieve voordracht. Maar hoeveel betwistbaarheden debiteert hij! Zonder te denken aan een opsomming zal men even willen vragen: is zijn bewering over een rhy thmusontbinding van Ravel niet volstrekt onjuist? Wie speurt antieken geest in de begeleidingen van nieuw-Grieksche vooizen of in de schitterende, zonderling Aziatische Daphnis- en Chloë-balletmuziek, die vermoedelijk Van Wessem reden gaf om in 't al aangehaalde geschrift van „wilde barok" te spreken. Gelijkt de lange, langzame, zacht ommurmelde wijs van Ondine, het ongekend beklemmende van Le gibet, 't geritsel en inktzwart donderend gedreun van Scarbo soms op iets van Debussy? Waar is in den (mij natuurlijk heel lieven) Childrens Corner het aandoenlijke van La Belle et la Béte, waar het verrukkelijke van den Feeëntuin? Zou het een en ander van 't helaas niet vele dat Ravel sinds 1913, het jaar van Niemann's boek, liet verschijnen, meeningen van den schrijver gewijzigd hebben, het trio wellicht, of La Valse, de huiveringwekkend uit het duister opgedoemde, steeds feller bestraalde, wervelende, schaterende, juichende, jammerende, bij matheid telkens gezweepte, met plotseling afknappen der daemonische fantasie verdwenen danswemeling, die kan ontzetten, al moge 't onderwerp dan niet het stervend gewaande Weenen zijn?

Opmerkelijk is 't overigens een aanduiding der virtuositeitsgevaren weer te vinden bij Camille Mauclair, in 't mooie boek La religion de la musique. Maar diens hart gaat open voor het jeugdige van Ravel:

La musique de piano de Maurice Ravel, que j'entends Ricardo Vinès jouer comme lui seul le peut faire, me donne une impression dont la saveur entre toutes m'agrée; celle de la véritable jeunesse. Ravel arrivé devant la vie musicale comme un enfant extraordinaire, et il sourit, et il chante.

Sluiten