Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

165

(p. 64): „de sj wordt uitgesproken als de Duitsche sch (in schón) of de Fransche ch (in chat)". Ik beschouwde tot nog toe het zuiver éen-maken van deze klank verbinding (want dat is voor mij nog steeds min of meer) als een precieuze neiging van de jongste tijd, en daarom verwonderde me de houding van het spreekonderwijs in dezen. Die is trouwens niet van de allerlaatste tijd, reeds de eerste druk (1911) van een ander leerboek, nl. Veldkamp, Techniek van het Spreken § 212 geeft hetzelfde voorschrift. Ik voor mij zeg wel ongeveer de s-klank in woorden als meisje, bees(t)je, maar na velare vocalen als in vaasje, poosje meen ik na de (weliswaar wat naar j toe geassimileerde) s nog een duidelike j te horen. Evenwel, ook bij De Froe-Jongejan, Klanken v. h. Neder/., p. 15 vlg. wordt de sj van jasje sjouwen enkelvoudig genoemd. Daar men nu van dit boek verwachten kan, dat het uitsluitend beschrijft en niet voorschrijft, moet de eenstemmigheid van al deze getuigenissen zwaar wegen. En wanneer voor mij de uitspraak s in veel gevallen niet zonder affectie is, dan kan dat wellicht een provinciale eigenaardigheid zijn.

In tegenstelling met de besproken gevallen wordt op bldz. 259 uitdrukkelik verboden s-j, wanneer die „in verschillende woorden toevallig samentreffen", als éen medeklinker te spreken. Zo éen in Koosje, kiesje, maar twee in Koos-je, kies-je. Zouden niet de meeste Nederlanders in het laatste geval zj spreken, of de klank van fta.jeterlZo ja, dan zou deze maatregel voor de duidelikheid en verstaanbaarheid — want dat is toch wel de bedoeling ervan — overbodig zijn.

Bevordering van verstaanbaarheid, meer dan nauwkeurige weergeving van de feitelike toestand in het Beschaafd, is ook zeker het doel van de schrijfster, als zij op p. 49 zegt, dat in de tweeklank aai, b.v. baai „de eindvocaal ie" gehoord wordt, en evenzo oe als eindklank in b.v.

leeuw. Want dat is een graad van distinctie die geen gewoon spreker bereikt.

In zulke gevallen komt uit, dat het boek vooral let op de eisen van de zang en bij het streven naar de vervulling daarvan niet schroomt te gaan tot wat bij spreken onnatuurlijk of overdreven zou moeten heten. „Waarom spreekt menig zanger zoo leelijk?" die veelzeggende vraag stelt Mevr. Brom zelf, p. 84. En we zouden willen antwoorden, mèt de schrijfster: „omdat zijn stem behandeld is als een instrument" en (enigszins anders voortgaande als de schrijfster), omdat ie wel voelt, dat de strenge voorschriften, die hij bij het zingen volgen moet, hem bij het spreken tot in het absurde zouden voeren. Daarom laat hij bij het spreken maar alles na, wat op verbetering van zijn natuurlike uitspraak lijkt. En is dan die natuurlike uitspraak niet van de edelste, dan kan dit inderdaad een teleurstelling zijn de vocale kunstenaar als gewoon mens te ontmoeten.

Wie Spreken en Zingen gaat lezen als een phonetiese beschrijving van beschaafd Nederlands, die zal er op voorbereid moeten zijn, dat hij „zo móet het" meer zal aantreffen dan „zo is het". Volkomen te billiken, en zolang de grenzen van het gewone beschaafd hiermee niet geforceerd worden, zal niemand daartegen bezwaar kunnen maken. Als men een enkele maal neiging tot tegenspraak krijgt, is dit meestal blijkbaar daaraan te wijten, dat het accent wat veel op de zang valt. Het is inderdaad niet gemakkelik, een handleiding voor spreken en zingen tegelijkertijd te geven: daarvoor heeft zich het „zingen" van de nieuwe tijd te ver van het „spreken" verwijderd.

Sluiten