Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

189

Johannes Junior in Beethoven's vijfde. Julius Junior, Engelbert, Johannes, Eduard, Joachim, Frans, vijf musici van beteekenis en een hoogbegaafd architect, die hem een karakteristiek landhuis te Bilthoven bouwde, herhalen voor hun vader het heerlijke geluk dat hij was voor den zijne.

Reppen wij nu weinig van leed. Het is hem niet bespaard en hij had het natuurlijk ook wel in den arbeid, zoo vermoedelijk toen hij de sinds '88 gevoerde leiding van het Amsterdamsche „Toonkunst"koor in '98 afstond aan Mengelberg en de sinds 1918 bezorgde van het conservatorium in '24 aan Dresden. Geen biografische schets bedoelend heb ik nagelaten de redenen van zijn abdicaties op te zoeken. Ik denk dat regeeren eigenlijk nooit iets voor hem was. Invloed oefende hij zeker altijd het liefst onwillekeurig uit en zijn behoefte van schoonheidsmeedeeling kan hij stellig niet als dirigent-repetitor en schoolbestuurder het best bevredigen maar als vertolker met een goed vriend of nog een paar goede vrienden, dus als kamermuziekspeler, ook als „begeleider."

Ongetwijfeld zijn wij den solist eveneens veel verschuldigd : bleef hij zich niet aldoor geduldig toeleggen op technische volkomenheid, gaaf was, en is natuurlijk nog, het spontane, het enthousiastische, het humoristische, het hartelijke, het teeder ontroerde, het sterkbewogene, het ontstuimige, het machtige. Maar het suggestiefst uit hij zich met een of met enkelen zijner zielsverwanten.

Ook in het werk dat hem wel 't onontbeerlijkste zal wezen, het componeeren, is hij niet eenzaam. Te veel gezelschap voor Brahms en later af en toe van Grieg, heeft men geoordeeld. En ja, zijn kooren orkestgedicht over Hebbel's Gebet doet mij Brahms haast alleen hooren. Maar ook epigonie verrijkt ons wanneer ze zóó door en door edel is. En ik heb als voorbeeld van zijn aanhankelijkheid een uitzondering genoemd. In een veelsoortige

menigte zijner composities, de sonates, de ballade, verscheidene liederen, eenige vrouwenkoortjes, het contrasteerende tweetal bekroonde bijdragen in den pianomuziekbundel van de Signale, het Agnetadrama, de variaties, den toonaardenkaleidoskoop over een Italiaanschen cantus firmus-cadens in c duur, spreekt hij wel degelijk zelf. Ik beproef geen opsomming, en allerlei van hem, ook zijn strijkkwartet en zijn symphonie, ken ik nog niet. Maar zeker bracht hij met tal van eigen thema's in hun behandelingen wat Dresden's boek over onze componisten sedert 1880 van zijn bewerkingen heeft gezegd, „een stukje Röntgen".

Hetgeen Brahms voor het Duitsche melodieënbezit als ontginner heeft gedaan en Grieg voor het Noorsche doet hij voor 't Nederlandsche, maar nog ijveriger en veelzijdiger, lang al, en onverdroten. In vocale harmoniseering, in reeksen voor één stem en voor viool met begeleiding, in quatremains, in pianosolo-variaties en andere fantasieën, in paraphrases door hemzelf op den vleugel gespeeld bij D. J. van der Ven's lentefilm en zomerfilm, in suites voor orkest en voor beiaard bood en biedt hij voortdurend wijzen die hier inheemsch waren of 't nog zijn. En elke zitting is, men mag 't met Dresden verzekeren, een stukje Röntgen.

En ieder van ons verstaat daaronder meesterschap, geest, gulheid, trouwhartigheid. Dat zijn gaven die wij kunnen gebruiken, nu meer dan ooit. Nog jaren moge hij ze schenken, met jonge frissche kracht, in het bewustzijn van een door

duizenden gevoelde dankbare genegenheid.

v. W.

iiiniiiiiiiiiiiiiiii immuun \\iwmim»»MMi»amm«imiiiHi«mm imimiimmnim i

Het praatje van de maand. Den 27sten April zijn Willem Mengelberg en mevrouw Mengelberg-Wubbe uit Amerika teruggekeerd; in blakenden welstand. Mengelberg zag er bijzonder goed uit, was zoo opgewekt mogelijk. Wel had hij een heel zwaar seizoen achter den rug,

Sluiten