Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

206

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

en voor den begaafden leider; de correspondenten van de Nederlandsche dagbladen hebben in uitvoerige brieven het succes van het Haagsche ensemble geschetst en dat zij niet in overdrijving vervallen zijn is uit de critieken van bekende Parijsche muziekverslaggevers duidelijk gemaakt ; zoowel van Anrooy als het door hem geleide ensemble worden bijzonder geprezen en ook blijkt men met belangstelling geluisterd te hebben naar een paar composities van Nederlandsche toondichters, naar de Ouverture „Cyrano de Bergerac" van Johan Wagenaar en naar van Anrooy's „Piet Hein"-Rhapsodie.

Overigens is te Parijs het muziekleven nog in vollen gang; zoo langzamerhand komen de groote artisten, die gedurende de wintermaanden de dollars te New York verdiend hebben, naar de oude wereld terug en dan is Parijs de stad, waar zij ondanks het vergevorderde seizoen nog altijd wel terecht kunnen. Koessewitsky, de vermaarde Russische dirigent, is er nu weer met zijn orkestconcerten begonnen en de violist Jascha Heifetz, die met Kreisler in Amerika de gevierde man is, heeft er een triomf behaald.

Willem Mengelberg is, alvorens rust te gaan zoeken in zijn chalet hoog in de Zwitsersche Alpen, naar Italië getogen om een reeks concerten te dirigeeren te Milaan, waar hij gelijk overal groot succes behaald heeft. En hij heeft bovendien een groot succes behaald, dat voor ons allen van belang is : hij heeft namelijk van Toscanini de belofte gekregen, dat deze meester in het volgende seizoen een paar concerten in Nederland zal komen leiden. De groote wereldberoemde Italiaan is nog nooit in ons land geweest; den muziekliefhebbers zal de gelegenheid met hem kennis te mogen maken dus wel zeer welkom zijn.

Van een goede oude bekende is onlangs weer een bericht gekomen: van Sir George Henschel, de onovertroffen zanger die eens, toen zijn vrouw Lilian nog leefde, tot de

populairste figuren in de Nederlandsche concertzalen gerekend kon worden; ouderen weten het zich nog wel te herinneren hoe George en Lilian duetten zongen, hoe hij met schitterende muzikaliteit begeleidde en als componist met bevallige, aantrekkelijke liederen voor den dag kwam; zijn liederen uit Scheffel's „Der Trompeter von Sakkingen" staan nog altijd in mijn muziekkast en meer dan eens heb ik die dertig of veertig jaar oude stukken weer met genoegen doorgezien. Ook het Requiem, dat Henschel bij den dood van zijn vrouw gecomponeerd heeft, is bekend geworden en in ons land vroeger meermalen ten gehoore gebracht; onlangs heeft het Philharmonische Koor te Londen dit Requiem weer uitgevoerd onder leiding van den grijzen componist, die na de uitvoering buitengewoon hartelijk gehuldigd is geworden.

De Haagsche Opera, de „Co-opera-tie", heeft van den Gemeenteraad wederom de toezegging tot een subsidie van twintig duizend gulden gekregen. Ik verheug me daarover. Veel is het wel niet voor een operagezelschap, maar in elk geval wat. Wel eigenaardig, dat zelfs dit kleine beetje nog niet eens door iedereen aan de onderneming gegund werd! Wat willen de menschen toch? Zonder een vast operagezelschap kan ons land niet zijn; de opera die er is behoort dus gesteund te worden, opdat zij groeien en bloeien kan. Nu weet ik net even goed als ieder ander (en de leiders van de Co-opera-tie zelf weten het ook) dat dit gezelschap nog lang niet ideaal is, dat er nog een heeleboel aan ontbreekt dat er nog een heeleboel aan veranderd zal moeten worden willen wij er een kunstinstelling van beteekenis in bezitten; maar alles zal beter worden als men deze menschen nu maar rustig den tijd geeft en hen den niet te ontberen steun niet onthoudt. Een operagezelschap dat voorstellingen kan geven als die van „Tristan und Isolde" en „De

Sluiten