Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

232

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

hen en hoe deed hij dat! Gesprekken van jaren her wist hij zich nog te herinneren en hij kon ze weergeven, alsof ze den dag tevoren gehouden waren.

Maar ditmaal was hij wel bijzonder op z'n praatstoel,

Zóó had ik hem nog niet gehoord. De onmisbare sigaar was zelfs uitgegaan — viel hem uit de vingers. — Nu eens zittend-causeerend, dan opspringend raak een gebaar imiteerend, welde uit den bron zijner jarenlange ervaring de eene herinnering na de andere op, het was een kaleidoscoopachtige veelheid van grappige, droeve, geestige en tragische voorvallen.

Toen hij, eerst laat in den middag, vertrok en ik alleen achterbleef, voelde 'k me verlaten.

Nü hoorde ik weer de zware en langzaam-komende tik van m'n groote hangklok boven de verre verwarde geluiden der drukke hoofdstraat.

De avond was nog zoo lang. O, al die warme levens waarin ik even geleefd had, ik wenschte ze bij me te houden.

Daar zat ze weer. Nóg wat blozender dan gewoonlijk.

Haar kleurig zakdoekje voor den dag halend, even snuivend, den Beethovenstoel wat verschikkend — want voor haar was hij nooit op de goeds hoogte .— met een losse hand, de lippen op elkaar, ineens uit haar tasch trekkend een heelen stapel muziek, waarvan ze maar drie boeken noodig had. Dan mijn stereotiepe vraag:

„Hard geblokt?"

„Dat zult u wel hooren."

„Ja, maar ik wil toch wel een weinig voorbereid zijn, stel je voor dat je nu eens werkelijk veel gestudeerd had, 't zou me te veel aanpakken!"

„ .... Ik heb heusch wel wat gedaan."

Ze bladert in haar „Fingerfertigkeit" beginnend van voren af aan, weifelt dan even tusschen de 16e en 17e.

„Maar Emmy." „Sssst, ik ben d'r."

En toch is het niet kwaad wat ze doet. Ja, het kan véél, véél beter, ze loopt hier en daar overheen, maar speelt het ding toch maar glad weg. Moeielijkheden, waar anderen uren op studeeren, en dan met hoe weinig resultaat, treft dit zonnige kind met beslistheid en instinctieve zekerheid.

Hoe vrij haar opvatting van vingerzetting ook is, ze redt er zich uit.

Op mijn ho! ho! hoor ik dan, terwijl ze maar door speelt.

„Ja, wat doe ik nu wéér — ik ben er al." ,—

Dan komt Chopin.

Een fantastisch in koortsige opwinding geboren stuk, tevens een klaging van alle smarten welke een dichterziel kan doormaken, waar men achter de donderende accoorden en snel vliedende notenrijen vreemde wezens ziet aanstormen en wegtrekken, waar wij op genadeloos vastgehouden rhythmen ons voelen wègdrijnen naar lugubere plaatsen, waar ontucht tiert.

Maar de wanhoopskreten werden onder deze soepele vingertjes verzacht en gemoduleerd tot een charmant accentje.

,,'t Is wel een aardig stuk."

„Er zijn meer menschen die het mooi vinden, maar praat niet terwijl je speelt. Kijk nu weer eens wat je doet!"

„We zijn Donderdag naar 't Kurhaus geweest."

„Hm!"

Plotseling midden in 't stuk ophoudend, en met draai naar mij toe, het hoofdje even schuin:

„Zoo fijn gedanst."

„Emmy, Emmy, wat ben je weer."

„Danst U niet?"

„Kom, speel door!"

„Ik zou wel eens met U willen dansen."

Dan sta ik op en loop de kamer op en neer.

Ik wil haar voorspelen en haar van Chopin vertellen, hoe hij leefde, op welke

Sluiten