Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

258

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Mossel-herinneringen.

door

CAREL BRENSA

Wanneer het zin heeft, dat iemand, die een belangrijk leven achter den rug heeft memoires schrijft, dan had Piet Mossel dit stellig moeten doen. Want ontzagwekkend is de rij van beteekenisvolle mannen, die Mossel in zijn bijna veertigjarigen kunstenaarsloopbaan heeft ontmoet en grooter nog is het aantal interessante levensgebeurtenissen, waarvan hij dientengevolge getuige was. Ieder die Mossel lang gekend heeft en die het geluk heeft gehad veel en vaak in zijn onmiddellijke omgeving te verkeeren, weet ervan. Hij kon staaltjes vertellen van mannen, die voor ons al tot historische figuren geworden waren....

Maar om één reden doet het er eigenlijk niet toe of hij herinneringen geschreven heeft of niet. En wel hierom, dat hij in deze herinneringen dan toch in hoofdzaak zou hebben gesproken over anderen en zelden over zichzelf. En voor ons — jongeren, die hem zoo vaak meegemaakt hebben — zijn van veel meer beteekenis de gevallen waarvan hijzelf de aanleiding en het middelpunt, dan die waarvan hij slechts getuige geweest is!

En die eerste gevallen zou hij nooit verteld hebben.

Want hij kon toch van zichzelf niet verteld hebben, dat hij zoo een zonderlinge, goedhartige kerel was en bij tijden zoo een bulderaar tegelijk? Of dat hij in z'n soort 'n maniak was voor sommige dingen ?

Niettemin was dat zoo. Hij was heel zijn leven van een buitengewone haast zonderlinge goedhartigheid. En ieder van ons pupillen, weet een of meer staaltjes te vertellen van hoe hij „te pakken" genomen werd. Legio zijn de gevallen, waarin hij „weldeed" om dan pas later te ervaren, dat hij beetgenomen was. Het genas hem nooit! Hij kon niets weigeren. Zoo b.v. het geval van een pseudo-kunstschilder,

die hem 's avonds laat voor zijn woning stond op te wachten, toen hij van den trein kwam en hem smeekte om een voorschot van 'n vijf en twintig gulden of zoo op een schilderij. De schilderij had hij hier ingepakt bij zich. Mossel mocht de schilderij in onderpand houden en binnen een week zou het geld terug wezen. Mossel naar boven met de schilderij en de schilder (!) weg met het geld. Het „doek" bleek den volgenden dag een allerellendigste compositie te zijn in would-be cubistischen stijl: zoo een hoekige bloempot met een geranium erin op een scheef staande tafel

En Mossel bleef eigenaar! Het was een aardige variant op den gebruikelijken kunsthandel.

Het was trouwens lang niet de eenige schilderij, die hij op ongeveer soortgelijke wijze in bezit had. Ook in serieuzen zin.

Naast schilderijen had hij een tijdlang groote zucht voor antieke klokken. Als ik mij wel herinner had hij er op zeker oogenblik niet minder dan veertien of vijftien — staartklokken en oude staande klokken. En wee degene van de leerlingen, die voor de aardigheid eens de koperen gewichten wilde ophalen of een van die tikmachines gelijk zetten. Niemand mocht eraan komen. Alleen hijzelf. Zijn eerste werk als hij 's morgens in de leskamer kwam, was al die klokken „op te halen". En als er een weigerde, nam hij hem in een vrij kwartier uit elkaar en begon te horlogemakeren.

Ook voor vulpenhouders had hij lang een zwak. Al voor jaren geleden, toen deze instrumenten pas in de mode kwamen, had hij er gewoonlijk een zeven of acht in zijn vestzak en daarnaast de noodigen in doozen. Alle systemen waren hem welkom. Er waren erbij zoo dik als een sigaar!

Deze liefhebberij echter hield nog niet bij die voor automatische sigarenaanstekers! Deze zoo veel gesmade dingen heb ik in den loop der jaren bij hem ge-

Sluiten