Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

268

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

gekregen, al op de nachtelijke reis in den rammelenden doorsneeuwden postwagen van Oberhausen naar Arnhem. Zijn kring groeide snel en bezorgde hem, den voormaligen klarinettist, tal van zang- en pianoleerlingen ; koorklassen onderwees hij later aan de muziekschool van Toonkunst met een eigen boekje. Binnen weinige jaren was hij man van aanzien. Hij kwam op een partij waar Van Bree, besteld als kwartetspeler, antichambreerde; blijft u hier, zeide hij, dan blijf ik ook, en toen verscheen de gastvrouw en haalde beiden binnen. Van Bree's dood in '57 bracht hem het St. Vincentius-concert, aanleiding tot zijn en Henriëtte's Die Auferstehung, Sancta Caecilia, Vincentius te Paolo, Der Feenschleier; sedert '53 had hij 't mannenkoor Euterpe, reden om zooveel vriendelijke vierstemmige liederen te schrijven waarvan enkele nog hier en daar bemind zijn, gelijk Zondag op het Meer; sedert '67 Excelsior, het door Viotta, zijn laatsten directeur, aan de Wagnervereeniging verbonden groote gemengde koor, dat, met hem bijeengekomen voor den 350sten gedenkdag van de Hervorming, en met hem samengebleven, eenige werken van hem in de Hersteld Luthersche kerk gaf; katholieke kerkkoren wilden er ook hebben en ontvingen drie missen en zeven kleinere stukken; hij was geen roomsch en geen protestantsch kerkganger maar een die Mit Gott in initialen op zijn muziek schreef en op zijn dirigeerstok had staan en uit behoefte bad en dankte.

Van de genegenheid en de vereering die hij vond heeft men licht een onvolledig idee. Weinigen van ons hebben hem nog in zijn Amsterdamsche jaren gekend, en wie hem veel later wel eens ontmoette, den beweeglijken, toeschietelijken, hupschen, hoffelijken gezelligen ouden heer met den witten baard en de witte krullen, denkt — en terecht — aan hartelijke vrienden van allerlei leeftijd, van druk bezoek, maar niet aan lange files van equi¬

pages, aan serenades met fakkeloptochten, aan ridderorden. Menige groote huldiging heeft hij gehad en zeker naar zijn aard met innige vreugde genoten.

Toen hij twee-en-zestig was, veroorloofde 't opgespaarde, door zijn veelzijdige Henriëtte voortreffelijk gecultiveerde fortuintje hem zijn Muiderbergsch villatje Caecilia te bouwen. Hij ging rozen, aardbeien, bessen en groenten kweeken en kippen houden, en dirigeerde wel naderhand een poos bij Toonkunst in Hilversum en Bussum, maar had van de hoofdstad, al kwam hij daar nog veel, afscheid genomen. Waarom betrekkelijk zoo vroeg? Niet omdat zijn kracht of zijn prestige verminderde, bericht mevrouw Westermann, maar omdat hij zich met de meer en meer veldwinnende nieuwe richting niet kon vereenigen. Het klinkt vreemd. Verhulst bij Toonkunst, Felix Meritis en Caecilia heerschte nogal behoudend en Willem Stumpff, wel meer vooruitstrevend, brak aan 't hoofd der Park- en Paleis-orkestfusie toch geen erg revolutionaire banen. Hoe stond het op zijn eigen arbeidsterrein ? Wij hooren van sommige hinderlijke bestuursleden in Excelsior, maar meteen dat hij zijn werk niet als „een zaak" beschouwde ; zij maakten dus kennelijk oeconomische bezwaren en dan vermoedelijk juist conservatieve. Dat hij 't nieuwe vijandig was, blijkt nergens. Wij mogen eer het tegendeel aannemen. Hij had het een en ander van Liszt en Benoit gegeven en informeerde nog op zijn voorlaatsten levensdag verlangend naar een succes van Blockx in Antwerpen. En Henriëtte bracht hem wel eens terug van modernistische compositieproeven.

Nam hij die, zonder sterk geloof, vast was zijn overtuiging dat er plaats moest wezen voor de jongeren. Er staan in zijn goedhartige mémoires bitse woorden over zelfzuchtigen die 't niet beseften. Hij had het wèl begrepen en dat getoond, öök door tijdig heengaan. En vooral meer

Sluiten