Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

9

Aan de uitvoering van al deze werken had Evert Cornelis met het Utrechtsche Orkest zijn beste zorgen besteed. De moeilijkheden, verbonden aan het instudeeren van een zoo groot aantal werken, waren over het geheel kranig overwonnen. Cornelis, die ook het legertje mannen aanvoerde, dat Richard Hols Matrozenkoor uit „De Vliegende Hollander" ferm en frisch zong, werd door den voorzitter van de Nederlandsche Toonkunstenaarsvereeniging met een krans en een hartelijke toespraak gehuldigd. Met applaus, óók van de zijde van het publiek, dat op deze matinée in vrij grooten getale was opgekomen en dat na elk nummer den aanwezigen componisten van waardeering blijk gaf.

De beide, in het bovenstaande nog niet besproken uitvoeringen, waren gewijd aan de vocale- en de kamermuziek. Sem Dresden en zijn Madrigaal-vereeniging gaven Vrijdagavond een uitvoering van a capellawerken, in het eerste deel van Josquin des Prés, Cypriano de Rore, C. Schuyt, Sweelinck en Orlando di Lasso. Over die werken behoeft natuurlijk binnen het kader van dit muziekfeest niets meer gezegd te worden, aangezien toch niet in de eerste plaats het hier ging om de appreciatie van bekende werken uit de litteratuur van vroeger tijden. Daarom moge volstaan worden met te zeggen, dat Sem Dresden en de zijnen den hoorders met de technisch bijna steeds uitnemend verzorgde uitvoering van deze composities een uur van schoonheid en verheffing hebben gegeven, en dat zij met deze auditie bewezen hebben welke onvergankelijke muziek, die in haar majesteit en adel zich verre verheft boven elk begrensd begrip van tijd, de oude meesters in die met eenvoudige middelen geschreven werken hebben gegeven.

Ook in het tweede deel van den avond heeft men vaak van schoonheid van klank om der wille daarvan kunnen genieten.

Want wat Hendrik Andriessen geeft in zijn „De die aeternatis" is tenslotte in wezen niet anders dan een over het geheel genomen welgeslaagde poging om extase en verukking in mooie klanken weer te geven. Andriessen bewijst in deze compositie wel, dat het nieuwere niet spoorloos aan hem is voorbijgegaan, maar hij manifesteert zich daarbij niet als een overtuigd aanhanger van die richting. Hij heeft zijn muziek in een in hoofdzaak melodischen toon gehouden, weet in slanke, omhoog strevende lijnen warmte en bezieling te geven (waarbij vaak de hooge ligging der sopraanpartij een sprekend effect geeft); hij brengt ook voldoende contrasten aan om niet eentonig te worden, maar zegt toch bij dat alles geen bepaald nieuwe dingen.

Dat doet Ingenhoven ook niet in zijn „Nous n'irons plus au bois", waarin een vrij sterke Fransche inspiratie opvalt. De componist heeft hier aan het zuiver-melodische element een vrij groote plaats ingeruimd, verder klankeffecten gegeven, die sterker den indruk maken van om der wille van het klankeffect op zich zelf geschreven te zijn, dan dat zij de sensatie geven van een sterk-persoonlijke illustratieve beteekenis te hebben.

Verder werden op dit concert uitgevoerd „Des winters als het reghent", een om het klankenspel dat er in gegeven is, zeer geestige en klankrijke compositie van dr. Joh. Wagenaar, Diepenbrock's magistraal de sfeer van het gedicht weergevende „Auf dem See", waarin een warme extase trilt en zijn meer dan één moment geniaalgeestige „Van een grooten hond en een kleine kat". De drie laatstgenoemde composities behooren niet tot de nieuwe uitingen, maar zij bewezen dat er onder dat niet-nieuwe dingen zijn geschreven door onze componisten, die ongetwijfeld repertoire zullen houden.

Of dat in sterke mate het geval zal wezen met veel van wat op de matinée, die

Sluiten