Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

31

ste hoop ik, dat het U mogelijk zal zijn Zaterdag 15 Februari a.s. naar Amsterdam te komen, want ik wenschte eene zeer gewichtige beslissing ter sprake te brengen. De Obrecht-uitgave nadert hare voltooiing en het wordt tijd vast te stellen, welke Meester thans onder handen moet worden genomen. Naar mijne meening komen in de eerste plaats in aanmerking Josquin en Adriaen Willaert. In zekeren zin trekt eerstgenoemde mij meer aan, maar dat is slechts een oppervlakkige beoordeeling. Natuurlijk zullen kosten van voorbereiding en uitvoering een groote rol spelen. Wees zoo goed, het vraagstuk eens onder de oogen te zien. Ik vind het een waar genot, mede te kunnen werken aan de herleving van zulke groote meesters".

Op de vergadering, die nu volgde, werd langdurig gesproken over de keuze tusschen Josquin en Willaert; algemeen werd aan eerstgenoemde de voorkeur gegeven. Volledigheidshalve moet ik hier vermelden, dat ook Anton Averkamp in deze beslissing een voorname rol gespeeld heeft. Tevens werd de vraag gesteld, of ik mij met de voorbereiding en de uitgave der werken van Josquin wilde belasten. Toen ik mij, na de hoogst eervolle opdracht eenigen tijd in beraad gehouden te hebben, bereid verklaarde deze te aanvaarden, schreef onze jubilaris: „Ik ben er mij van bewust, dat het bijkans om een levenstaak gaat en dat nasporingen in het buitenland onvermijdelijk zullen zijn. Zou het U mogelijk zijn weldra naar hier te komen om eens vertrouwelijk te spreken? Binnenkort hoop ik naar Italië te gaan en ik zou dan ook eenigen pionier-arbeid kunnen verrichten, d. w. z. niet verder gaande dan het registreeren van bronnen".

Zoo volgde de eene bespreking na de andere, de briefwisseling werd geregeld voortgezet en nog in hetzelfde jaar werd een begin gemaakt met het verzamelen van het kostbare materiaal: alles, wat in de

verschillende bibliotheken van Josquin aanwezig was, zou worden gefotografeerd. Het spreekt van zelf, dat de voorbereiding van een zoo omvangrijk werk niet altijd even gemakkelijk van de hand ging, maar bij alle moeilijkheden die zich voordeden was Dr. Scheurleer steeds bereid met raad en daad bij te staan. Hij zorgde voor een aanbeveling van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken; hij wist te bewerken, dat door de Regeering en door sommige vereenigingen een subsidie werd toegezegd, maar vooral aan zijn persoonlijken steun was het te danken, dat de Josquinuitgave zoo zorgvuldig kon worden voorbereid. Terecht mocht dan ook de Secretaris der Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis, Dr. E. D. Pijzei, in zijn verslag over de jaren 1919—1921 schrijven: ,,Voor de Josquin-uitgave zijn reeds ruim zesduizend fotografische reproducties bijeengebracht van 's Meesters werken, die, hetzij in handschrift, hetzij in oude drukken, in de verschillende bibliotheken van Duitschland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië, Frankrijk, België en Engeland zijn geraadpleegd door ons medebestuurslid Dr. A. Smijers, aan wien ook de verdere leiding dezer groote uitgave is toevertrouwd. Een woord van warme hulde moge hier een plaats vinden aan onzen Voorzitter, die voor deze kostbare reizen den nervus rerum met zijne bekende vrijgevigheid heeft beschikbaar gesteld".

Ziedaar in korte trekken, wat Dr. Scheurleer voor de voorbereiding der Josquin-uitgave heeft gedaan. Ook het onderhandelen met de uitgevers was geheel en al zijn werk. En om het nu zoo beknopt mogelijk samen te vatten: zonder zijne hulp zou de Josquin-uitgave nooit tot stand gekomen zijn.

Tot hier toe heb ik nog maar alleen gesproken over de Josquin-uitgave en nog geen woord gezegd over zijne verdere werkzaamheid als Voorzitter der Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschie-

Sluiten