Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

den, wien ik alles in handen kon geven. Hij wist den weg in mijne papieren of zou dien spoedig genoeg weten te vinden. Hem. beter dan iemand anders, was het gegeven te verhoeden, dat, wat hier van waarde mocht zijn opgeteekend, voor onze kennis van den ouden tijd weer verloren zou gaan. Een gevoel van veiligheid kwam over mij. Van Riemsdijk zou met jeugdige krachten het werk aan mijne handen ontvallen opvatten. Hij zou het doen, beter dan ik het ooit zou hebben vermocht, ook al ware mijn gezondheid ongestoord gebleven.

De uitkomst heeft mijne verwachting niet beschaamd. Immers Van Riemsdijk was niet alleen in staat de eigenaardige kerngezonde schoonheid van het OudHollandsche volkslied ten volle te waardeeren, maar ook beter dan ik berekend om de bezwaren te overwinnen, die den geschiedvorscher op dit gebied in den weg zijn gelegd. Toen, weinige jaren geleden, de eerste oplage van de oude Valeriusliederen was uitverkocht, was hij de aangewezen man, aan wien de bezorging der 2e uitgave gerust kon worden overgelaten. Wel heb ik mijn naam en medewerking aan deze zaak niet willen onttrekken, wel heb ik op enkele ondergeschikte punten mijn vriend tot wijziging zijner opvatting moeten doen besluiten, maar in hoofdzaak was niet ik maar hij degeen, die deze uitgave tot stand bracht, zooals hij dan ook den bundel met een aantal Valerius' liederen verrijkte.

Van dezen onzen gemeenschappelijken arbeid heb ik de aangenaamste herinneringen behouden. Inschikkelijk en meegaand in bijzaken was hij, mijn vriend, onverzettelijk, waar het gold de leidende gedachten van het geheel en de hoofdbeginselen bij deze uitgave in toepassing te brengen. Nooit was het zijne persoonlijke ijdelheid of overdreven ingenomenheid met eigen vinding en bevinding, die den doorslag gaf bij de verdediging zijner subjectieve opvatting. Zijn van natuur zuivere

kunstsmaak, in de beste scholen tot degelijke kritiek gerijpt, aan den eenen, en zijne wetenschappelijke scherpte, gepaard aan zijn eerbied voor den rechtsregel: ,,audi et alteram partem" aan den anderen kant maakten hem leerzaam en beminnelijk ook waar men met hem te disputeeren had. De zaak was hem lief, meer dan de eigen glorie die daaraan te behalen viel. Iets goeds, iets van blijvende waarde tot stand te brengen, daarom was het hem te doen. Dat straalde door, in alles wat hij ondernam en volbracht. Daarin lag de blijvende aantrekkelijkheid van zijn persoon en de productieve kracht zijner werkzaamheid".

Ook D. de Lange's en Kalff's volksliederenuitgaaf heeft hij mee voorbereid, en, het zij hier meteen gezegd, voor de Leidsche Maatschappij van Letterkunde, waarvan hij lid was, is door D. de Lange zijn levensschets gegeven. Wij hebben van hem verder, behalve niet weinige zangpartituursamenstellingen uit partijenboeken, vierentwintig eenstemmige, deels geestelijke deels wereldlijke, deels vijftiend'eeuwsche deels zestiend'eeuwsche liederen, die hij had gekozen bij Fruytiers en Baumker en met pianobegeleiding deed verschijnen nadat een dergelijke reeds uit De Druiventros der amoureusheit en andere bundels hem onpubliceerbaar was gebleken wegens mislukken van pogingen tot het vinden der oorspronkelijke teksten; driemaal gedrukte quatremainszettingen van oudNederlandsche danswijzen, en het zestal vijfdeelige strijkkwartetsuites getiteld Hortus musicus, benevens de klaviervariaties Partite diverse sopra 1'aria Schweiget mir von Weiber nehmen (of Die Mayerin) van Jan Adamsz Reinken, over wien hij voor 't vereenigingsorgaan een van zijn beste stukken schreef, een dat hem doet eeren als echt kunsthistoricus, iemand die veel wist, leemten van zijn weten rond beleed, nauwkeurig en scherpzinnig onderzocht, degelijk en warmhartig technisch-aesthe-

Sluiten