Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

55

de wereldsche Motetten iets veelvuldiger, zooals meerdere lofzangen op de muziek o.a. van Clemens non Papa, Jean Louys, Nicolaus Rogier, Gallus e.a., huldigingsmotetten van Clemens, Crequillon, Hollander, Vaet, Lasso e.a. bewijzen. Deze ontvangen hun stempel door den stijl.

De Motetten werden in de Katholieke Kerk bij de mindere diensten gezongen (voor zooverre zij geen gradualen of offertorien zijn en dus tot het proprium missae behooren) en wel voornamelijk als omlijsting van de preek, waarop zij natuurlijk betrekking hadden. Vandaar dat zij meesal uit meerdere deelen bestaan (secunda pars, tertia pars); in de eerste helft der 16e eeuw zelden uit meer dan drie, bij Josquin tot 6 toe. In de na-Josquinsche school is het regel dat het eerste en het laatste deel voor een gelijk aantal stemmen zijn geschreven; is het motet drieledig dan is het tweede deel vaak een trio. Bij Josquin is deze verdeeling minder harmonisch; zoo zijn b.v. de eerste 2 deelen van „Domine non secundum peccata" 2stemmig, het zeer korte derde deel en het vierde deel vierstemmig. Het eerste deel wordt door de twee hoogste stemmen voorgedragen, het tweede door de twee laagste, eerst in het derde deel vereenigen deze vier stemmen zich.

In het algemeen speelt de tweestemmigheid een zeer groote rol in het oeuvre van Josquin en deze afwisseling van 2 hooge en 2 lage stemmen, die hier tot heele deelen uitgebreid is, vinden wij terug in bijna alle vierstemmige motettten.

Finck zegt in zijn „Practica Musica" (Wittenberg 1556), dat Gombert de eerste was, die door het verwijderen der pauzen de compositie voller van klank maakte. Nu vinden wij in de werken van Gombert precies zooveel en zoo weinig pauzen als in die van Clemens, Payen, Crequillon e.a. en men begrijpt de mededeeling van Finck eerst, wanneer men weet welk een

plaats de pauzen in het werk van den Josquin-tijd innemen.

Welke teksten componeerde nu Josquin? Men kan wel zeggen alles wat hem onderhanden kwam: stukken uit de Vulgata en andere, aan de Katholieke liturgie ontleende teksten, hymnen aan heiligen, proza en berijmde teksten, tot den stamboom van Christus toe en wel tweemaal, n.1. No. 15 „Liber generationis" en No. 16 „Factum est autem", dat de van den eersten, Matth. I : 1—16, verschillende lezing van Lucas III : 22—38 geeft. Het allerbizarste is het motet „ut phoebi radiis":

Ut phoebi radiis soror obvia sidera luna Ut reges Salomon sapientis nomine cunctos Ut remi pontum quaerentum velleris aurum Ut remi faber instar habens super aera pennas

Ut remi fas soZvaces traducere merces Ut re mi fas so la Petri currere prora Sic super omne quod est regnas, o virgo Maria.

De tweede helft bestaat uit hexameters, die met la, la sol, la sol fa, la sol fa mi enz. beginnen en eindigt: „Rex o Christe Jesu, nostri deus alte memento", waar evenals aan het einde der eerste helft de vier stemmen zich vereenigen, terwijl tevoren de bas en de tenor slechts de solmisatie-lettergrepen gezongen hebben. Het is natuurlijk slechts een grap, deze compositie, maar een grap met Maria en Christus?

Dit werpt een eigenaardig licht op de mentaliteit van deze periode. Een tegenhanger vinden we bij Lasso in het Motet „S, U, Su, E, R, per, super enz.: „Super flumina Babylonis". Daarentegen is het werk van Josquin zeker vroom bedoeld, maar hij staat met Maria op zoo goeden voet, dat hij overtuigd is dat zij pleizier in dit grapje hebben zal. Sancta Simplicitas.

(Wordt vervolgd.)

Sluiten