Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

57

Boekbespreking

door

WOUTER HUTSCHENRUYTER.

A. van den Boer: De Psychologische Beteekenis van Willem Mengelberg als Dirigent. Amsterdam: L. J. Veen. (Prijs niet aangegeven.)

Dit boek heeft — ik heb 't eerst onlangs vernomen — eenig opzien gebaard; opschudding verwekt. De hoofdredacteur van dit tijdschrift ontving zelfs, van een mijner collega's, het verzoek, de lezers voor dit geschrift te waarschuwen.

Dat is mij onbegrijpelijk!

Zooiets verlangt men toch alleen, wanneer 't gaat om een boek dat de goede zeden in gevaar brengt. En daarvan kan hier waarlijk niet sprake zijn!

Te oordeelen naar de opvattingen die de schrijver in zijn boek blootlegt, moet hij een goed, ernstig, naar volmaking strevend mensch en een volbloed, recht-geloovig Katholiek zijn. (Op dit laatste zullen wij nog moeten terugkomen!)

Deze voorstelling heb ik mij gevormd na 't aandachtig lezen en van aanteekeningen voorzien van zijn boek. Persoonlijk is hij mij niet bekend, evenmin als ik ooit zijn naam als dien van een toonkunstenaar (is hij dat?) heb hooren noemen.

Dit alles om te bewijzen, dat mijn bespreking ten eenenmale objectief zal zijn.

Nemen wij het boek ter hand, dan zien wij dat het eerste hoofdstuk bevat: een kort overzicht van de kunst van 't dirigeeren. Dat is een goed denkbeeld! Dit overzicht is in hoofdzaak gebaseerd (de schrijver zegt het zelf) op het voortreffelijke boek van George Schünemann1) en mag, om opzet en uitvoering, uitmuntend worden genoemd.

Om bij 't goede te blijven: de aanvang van het tweede hoofdstuk (W. A. Mozart

i) Geschichte des Dirigierens: Leipz. Br. u H.

— Jos. Haydn, blz. 31) is m.i. eveneens een voortreffelijk stuk; zoo ook de blz. 86, 88 en 89 uitspraken over Mahler, en op blz. 78 over Rich. Strauss.

Men zal vragen, waarom in een boek over Mengelberg, verhandelingen over de bovengenoemde componisten? Het antwoord is gemakkelijk te geven: de auteur beschouwt M., den dirigent, afwisselend als vertolker van de werken der voornaamste componisten. Dat deze en hunne werken daardoor eveneens ter sprake moeten komen, ligt voor de hand.

Hetzelfde beginsel, anders toegepast, brengt hem ertoe, andere dirigenten met Mengelberg, hun vertolkingen met de zijne te vergelijken. Ook dat noem ik een gelukkig denkbeeld.

Zeg ik nu nog, dat de schrijver door veel concerten van allerlei aard te bezoeken, een zeer zelfstandig en persoonlijk oordeel verworven heeft, en dat hij blijkbaar èn in de toonkunst èn in de muziekliteratuur van vele eeuwen goed thuis is, dan heb ik — dunkt mij — de credit-zijde van zijn rekening aardig vol geschreven.

En tóch... de lectuur van zijn boek heeft mij genoegen gedaan noch bevrediging geschonken.

Dat komt n.m.m. in de eerste plaats voort uit zijn volstrekt eenzijdig katholiek standpunt; hij weet niet van afwijkingen en wordt, mede ten gevolge van zijn halsstarrig vasthouden, onrechtvaardig.

Hij zegt (blz. 92): „Mengelberg is Katholiek" (waarom die hoofdletter?) „en „dat is het geheim, dat is de mystieke glo„rie van al zijn Mahlerinterpretaties", en ook (naar aanleiding van de 8e symphonie

van Mahler) tot dat wij bij het „Glo-

„ria Patri Domino" in de eeuwige gelukzaligheid aanlanden. Dan eerst voelen en „doorschouwen wij de gansche situatie, en „ontwaren als plotseling de algeheele en „algemeene schoonheid van dit zich zoo „glorieus oplossende zieleproces, dat niets „anders is dan een Katholieke cultureele

Sluiten