Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

mophoon gebracht. Het contrapunt noot tegen noot schijnt bij Josquin veel veelvuldiger te zijn dan we dachten. No. 10, „O Domine Jesu Christe", het eerste en derde deel van Qui velatus facie fuisti, No. 11, Tu solus qui facis mirabilia, No. 14, zijn bijna geheel noot tegen noot gezet, met sterke caesuren, onderbroken door korte episoden, waar de stemmen na elkaar den tekst voordragen, zonder daarbij noodzakelijk elkaar thematisch na te moeten bootsen. Deze composities zijn bijna doorloopend volstemmig. Men zou verwachten, dat hier de bovenstem bijzonder op den voorgrond zou treden, dat is evenwel niet het geval: de tenor en de alt behouden iets meervrijheid van beweging en zijnhetmeest melodisch gevoerd, dikwijls stijgt de tenor boven de alt. Niettemin kunnen wij in deze en dergelijke composities, homophoon met in alle stemmen gelijktijdig syllabisch gedeclameerden tekst, met sterke, dikwijls door fermaten gemarkeerde caesuren, wel met recht den voorlooper van het latere protestantsche koraal vermoeden. Melodisch kunnen evenwel deze composities zich daarmede niet meten, de samenklank als zoodanig is datgene waarnaar de componist in deze werken streeft, de „zelfheerlijke" harmonie, niet de harmonie als dienares van de melodie. Van hier naar Palestrina is nog slechts een stap.

Niet dat Josquin niet verstond melodieën, echte melodieën in den waren zin des woords te schrijven, een schat van de heerlijkste, onsterfelijke melodieën leeren wij reeds in deze zeven afleveringen kennen; we komen daarop nog terug wanneer wij over de stemvoering en de rhythmiek bij Josquin zullen spreken, maar in Josquins tijd had men nog niet de mogelijkheid een harmonie aan een melodie dienstbaar te maken; men had de kennis om harmonieën door het bewegen van stemmen aaneen te schakelen, waarbij toch de daarbij ontstaande melodieën meer of

minder toevallig waren en om interessante thema's tot een contrapuntisch geheel te vereenigen, waarbij de ontstaande harmonie min of meer toevallig is. M.a.w. men moest öf alle aandacht op de harmonie öf op de combinatie der stemmen concentreeren, hoe interessanter de thema's hoe minder bevredigend vaak de harmonie, hoe beter de harmonie hoe minder belangrijk de thema's. De declamatie van den tekst is in dergelijke werken meestal buitengewoon correct. Het langgerekte „O" in „O domine Jesu Christe" herinnert onmiddellijk aan Palestrina.

(Wordt vervolgd.)

III» I I «HM I lllllllüllllllliailllllllllllllllülllllllüllllllUII Illlllülllllüllüllllllllliüülllll

Ingezonden.

Geachte Redactie,

Tijdens het feest der Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging te Utrecht zijn de leden dier vereeniging en andere genoodigden te gast geweest bij het Gemeente-Bestuur van Utrecht, waarbij ten stadhuize deze genoodigden officieel door den Burgemeester, den Heer Mr. Dr. Fockema Andreae zijn toegesproken. De Burgemeester heeft in zijn rede bijzonder aandacht aan het Utrechtsch muziekleven gewijd en in dit verband, na Johan Wagenaar reeds genoemd te hebben, het volgende gezegd (Utrechtsch Dagblad van 18 October 1925):

„De Utrechtsche dirigenten — Hol, Hutschenruyter, Cornelis, en ik mag daarbij voor een oogenblik inlijven Mengelberg, in Utrecht geboren en in zijn eerste jeugd gevormd — zij hebben naast andere groote verdiensten ook deze beide, dat zij er naar streefden de edelste werken der toonkunst te openbaren aan breede lagen der bevolking, aan „ons volk" in ruime beteekenis, en dat zij vóór en na aan de Nederlandsche scheppingen een bijzondere aandacht hebben geschonken."

Sluiten