Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

73

Het viel onmiddellijk in het oog, dat bij deze opsomming der H.H. Dirigenten de naam van Jan van Gilse niet is genoemd en dit stilzwijgen heeft bij menigeen een pijnlijken indruk gemaakt. Juist bij deze gelegenheid, in aanwezigheid van genoodigden uit de kunstwereld en de muziekpers, moest dit stilzwijgen wel als een demonstratieve daad worden opgevat.

Onwillekeurig doet zich de vraag voor wat hiervoor wel de reden zou zijn geweest. Niet aan te nemen is, dat de artistieke zijde van de werkzaamheden van den heer Jan van Gilse een aanleiding tot dit stilzwijgen gaf. Immers, afgescheiden hiervan, dat dit ter plaatse al heel ongepast zou zijn geweest, ware het in tegenspraak met de menigmaal uitgesproken waardeerende woorden van den Burgemeester, ten opzichte van den heer Van Gilse.

Indien men het gesprokene van den heer Fockema Andraea beschouwt, zou men concludeeren, dat Van Gilse er niet voldoende naar gestreefd heeft ,,de edelste werken der toonkunst te openbaren aan breede lagen der bevolking". De Burgemeester, Bestuurslid van het Utrechtsch Orkest gedurende de directie-periode van Van Gilse, kan weten, dat het aantal Volksconcerten in dien tijd verdubbeld is en de belangstelling voor deze concerten in steeds stijgende lijn ging. Dit kan dus niet de reden van het stilzwijgen geweest zijn.

Zou het gebeurde zijn aanleiding hebben kunnen vinden, dat Van Gilse aan de Nederlandsche scheppingen niet voldoende aandacht zou hebben geschonken? Ik heb naar aanleiding hiervan de programma's in het archief van het Nederlandsch Bureau voor Muziek-Auteursrecht nagegaan en moet dienaangaande het volgende vaststellen:

Gedurende de Ax/2 jaar van het leiderschap van het Utrechtsch Orkest heeft de heer Van Gilse niet minder dan 108, zegge

éénhonderd en acht werken van Nederlanders ten uitvoer gebracht. Deze werken zijn verdeeld onder de navolgende componisten: Van Anrooy, Kees Andriessen, Hendrik Andriessen, Dina Appeldoorn, G. H. G. von Brucken Fock, Hubert Cuypers, Diepenbrock, Cornelis Dopper, Emiel Enthoven, Sem Dresden, Jan van Gilse, H. D. van Goudoever, Chr. J. Krah, M. Kerrebijn, Henriette van Lennep, Willem Pijper, Julius Röntgen, Dirk Schafer, Frits Schuurman, J. H. Witte, Johan Wagenaar, Arnold Wagenaar, Bernard Zweers en Louis Zimmermann.

Indien men in aanmerking neemt, dat Van Gilse heeft moeten arbeiden onder zulke moeilijke omstandigheden, als nimmer een Nederlandsche dirigent heeft ontmoet, dan kan men niet anders zeggen, dan dat hij in dit opzicht niet enkel zijn plicht als Nederlandsch kunstenaar, doch zelfs méér dan dat gedaan heeft.

Men ziet uit de hierboven aangehaalde feiten bewezen, dat voor het verzwijgen geen redelijke grond aanwezig is geweest. Zoo ooit, geldt van Van Gilse's werkzaamheden te Utrecht het spreekwoord: ,,Ondank is 's werelds loon". Waar iemand vijf zijner beste levensjaren en ten deele ook zijn gezondheid geofferd heeft voor de belangen van het Utrechtsch Orkest en zoodoende voor die der Gemeente Utrecht, daar had men van een magistraat kunnen verwachten, dat hij aan dit de volle maat zijner waardeering had geschonken, juist in deze omgeving van kunstenaars en waar zijn toespraak een officieel karakter droeg. Ik voel mij dus gedrongen een scherp protest te laten hooren.

Met dank voor de verleende plaatsruimte,

Hoogachtend, Uw dw. dn.,

Amsterdam, 14 Nov. 1925. A. D. LOMAN Jr. * * *

Sluiten