Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

dernen eerbied voor het Goddelijke, dat toch weer hooger en ongenaakbaarder tegenover hem staat dan den middeleeuwer, die zijn God schiep naar eigen beeld.

Maar wanneer we daarvan afzien en ons alleen tot het zuiver technische beperken, dan vinden wij zooals gezegd den geheel en Palestrina reeds in Josquin voorbereid en slechts hier en daar stuiten wij op een stemvoering, die Palestrina vermeden zou hebben. Dit geldt uitsluitend het gebruik van dissonanten, waarmede Palestrina voorzichtiger is dan Josquin. Met een paar voorbeelden zal dit worden geïllustreerd.

Dissonanten zijn bij Palestrina alleen mogelijk: a. op het goede maatdeel, dus op de eerste of derde minima, indien door een consonant voorbereid, waarvoor de tweede en vierde minima zijn gereserveerd; b. als doorgang, alleen in semiminimen; deze kunnen, indien zij op elkander volgen in dalende beweging, desnoods een doorgaande dissonant op den tweeden of vierden slag vormen:

I | (b)

Josquin past dit principe nog op grootere notenwaarden toe, b.v.:

dus doorgaande dissonanten zoowel stijgend als dalend, in minimae en semibreves, waartegen contrapuntisch natuurlijk niets in te brengen is (bedenkelijker is de geanticipeerde a in het voorlaatste voorbeeld, is het misschien een drukfout voor g?), maar die de Palestrina-stijl vermijdt.

Op dezelfde wijze gebruikt Josquin de „Cambiata" of afspringende wisselnoot. Bij Palestrina vinden wij haar slechts in semiminimen met latere aanvulling van het overgeslagen interval.

Josquin schrijft (No. 10, la Pars. m. 37):

Door verlenging van de tijdswaarde krijgt de dissoneerende doorgangsnoot op het goede maatdeel (3e minima) die door een consoneerende op het zwakke gevolgd wordt het karakter van een vrijen Vorhalt (No. 10, la pars, m. 10). (Zie laatste notenvoorbeeld van deze bladzijde.)

Josquin maakt van de hier beschreven afwijkingen geen overdreven gebruik,

Sluiten