Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

109

bepaalden goeden stand of goede houding, tal van andere goede daaruit vanzelf noodzakelijkerwijs voortvloeien", niet is toegevoegd, is waar, doch ontbreken doet deze opmerking er niet, want zij is geheel overbodig, daar ieder die dit hoofdstuk met aandacht leest, wel die conclusie moet trekken. Ze is ook zóó vanzelfsprekend, dat zij afzonderlijke vermelding niet verdient. M.i. heeft de heer Addenda niet kunnen veronderstellen dat eenig paedagoog, na lezing van dit hoofdstuk, dien „gulden regel" uit het oog zou verliezen.

Verder begrijp ik niet, waarom de heer D., bewerende: „dat hetgeen in dit werkje over het vibrato en de zelfcontrole gezegd wordt, even juist als waard is, om goed te worden gelezen" er terstond een zin op laat volgen, waardoor hij het voordeel van het wezen dezer uiteenzettingen tracht te ontzenuwen, door het „fabeltje van den duizendpoot" aan te halen. Immers, deze kon niet meer dansen, toen hij zich van zijne bewegingen bewust was geworden. Waar blijft nu hier de analogie?

We hebben reeds aangehaald dat de heer D. betwijfelt of de inhoud van het hoofdstuk over de Geluidsleer „veel zal bijdragen, om mooier viool te spelen of te doen spelen". Ik zou in verband hiermee het volgende willen opmerken.

Iemand die geen aanleg voor vioolspelen heeft zal onmogelijk door een degelijke kennis van de grondbeginselen van de Geluidsleer en de Anatomie een goed violist kunnen worden. Maar een violist met aanleg, die reeds vele technische bijzonderheden van zijn spel intuïtief, ten deele onbewust, ten uitvoer brengt, zal door meerdere kennis van de geluidsleer en de anatomie zich niet alleen bewust worden van wat hij doet, (hetgeen niet anders dan zijn spel ten goede kan komen) tevens zal hij door middel van die kennis technische onvolkomenheden gemakkelijker weten te overwinnen, dan wanneer hij niets van geluidsleer of anatomie wist.

En de leeraar zal, wanneer hij die grondbeginselen kent, beter begrijpen waardoor bepaalde fouten van zijn leerlingen gemaakt worden.

Hij zal hun dan beter kunnen uitleggen waarom zij verkeerd spelen en wat ze moeten veranderen.

Het ware te wenschen dat dit door vele vioolpaedagogen beter werd begrepen.

Dat Addenda gepoogd heeft voor deze onderwerpen meerdere belangstelling te wekken is m.i. dan ook ten zeerste toe te juichen.

Met dank voor de plaatsing, Hoogachtend,

DIRK J. BALFOORT, Hoofdleeraar Toonkunst, Rotterdam.

(Ons houdend aan het gebruik om geen antikritiek — tenzij dan onjuistheidaantoonende te plaatsen, maken wij ditmaal een uitzondering omdat een paedagogische quaestie wordt besproken, zooals indertijd toen de heer Averkamp hier met den heer Dresden in debat kwam over harmonieles. Wij doen opmerken, dat de heer Drilsma geenszins heeft erkend het hoofdstuk geluidsleer niet te kunnen beoordeelen, dat allerminst zijn competentie mag worden betwijfeld en dat de fabel van de duizendpoot behartiging verdient als waarschuwing tegen intuïtiebelemmering. RED.) iiiiiiiiuif iiriiiiiiiiiiMwiJiiiiiiriirfiiiiiiiiiiiiiiiif lumiiiiiiiiiiiiitiriiiiriiiiiiiiiif iiiiriiiiiiiiiifiiiitiiifiiiiiiiif iiiiiii!Ni:j!iJtt Boekbespreking door

WOUTER HUITSCHENRUYTER.

The History of Orchestration by Adam Carse, Fellow of the Royal Academy of Music. London: Kegan Paul, Trench Trubner & Co. Ltd., Pr. 12 sh. 6 d. net.

Dit is het boek waarop wij hebben gewacht; het boek dat komen moest!

Over Instrumentatie is zeker genoeg geschreven; de werken van Wasielewsky, Teubner, Sachs en vele anderen, geven even juiste als volledige beschrijvingen

Sluiten