Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

zich rhythmisch, melodisch en harmonisch manifesteert, niet omdat hij opzettelijk volksthema's aanwendde, maar omdat hij, kind des volks, alle gezonde raseigenschappen in zich heeft, en steeds zijn oor te luisteren legt naar het onvervreemdbare raseigen van zijn stamgenooten. Dan valt de blik op Cornelis Dopper, den Hollandschen componist, die eveneens in de volkseigenaardigheden zijn kracht vond. En aan 't slot van het lijstje zie ik er den Rus Glinka, den vader der Russische toonkunst, den grondlegger der nationale Russische Opera.

Hoewel van deze vier de oudste, lijkt Glinka mij het meest „up to date", want een feit is het dat, op 't gebied der opera, de Russen bezig zijn de muzikale wereld te veroveren (en op het gebied der opera niet alleen); hier in Holland merkt men daarvan niet veel, of liever hoegenaamd niets, maar in de landen waar de opera in 't midden der muzikale belangstelling staat, des te meer. De paar keeren, dat ik in den laatsten tijd eens even naar Antwerpen stoomde om in de Vlaamsche Opera een grandioos gemonteerde opera bij te wonen, trof ik toevallig telkens een Russisch werk, „De gouden Haan" en „Sadko", beiden van Rimsky Korsakov. In Parijs is het niets minder. Wie dacht daar vroeger aan? Misschien de Russen zelf het minst. Waren hunne nationale opera's niet gedacht voor hun volk alleen, en aldus een kostbaar privaatbezit van hun stam?

Maar ondertusschen is, na de bloedige catastrofe in het aloude Tsarenland, de Russische ziel, bloedend uit vele wonden, open en bloot gelegd voor de belangstellende wereld, en de wereld heeft veel leeren begrijpen en liefhebben in die ziel, en in de kunst, die haar waarachtig spiegelbeeld is.

Terugwerkende kracht dezer belangstelling en liefde heeft tevens de schakels der evolutieketen der Russische toonkunst doen kennen of in een zuiverder licht leeren zien. En Glinka is een te belangrijke

figuur geweest, een te bewust bouwer aan den tempel van eigen kunst, dan dat hij vergeten zou mogen worden. Wat Weber voor Duitschland, Smetana voor Bohemen, Grieg voor Noorwegen, Benoit voorVlaanderen, Debussy voor Frankrijk geweest is, dat was ook Glinka voor Rusland; en we mogen als zeker aannemen dat een Stravinsky en een Prokofieff de consequentie zijn van een Glinka.

Om ten volle de beteekenis van dezen voorman te begrijpen is het van veel belang de geschiedenis der zich langzaam ontwikkelende Russische muziek, in haar langzamen en vaak geknotten groei na te gaan. Zulks hier te doen zou mij te veel plaatsruimte vragen; laat ik daarom verwijzen naar het voortreffelijk gedocumenteerde werk van Rosa Newmarch „L'opéra Russe" (J. & W. Chester, Londen), waarin die stof op klare, overzichtelijke wijze behandeld is. Laat ik volstaan met vast te stellen dat tot het jaar 1836, wanneer Glinka's Het leven voor den Tsaar voor 't eerst het voetlicht zag, Rusland muzikaal onder uitheemsche invloeden bleef. Waren het eerst Duitschers, later waren het Franschen en Italianen — vooral deze laatsten — die het muziekleven regeerden. Glinka, als rijkelui'skind in 1804 geboren, was de eerste die in volkslied en volksdans de karakteristiek van een eigen kunst ging delven. Zijn jeugd was die van een verwend kind, en zijne muzikale studie s (viool van Böhm, piano en theorie van Field en Carl Mayer) schijnen langen tijd slechts een dilettantisch karakter gehad te hebben. Maar tijdens zijn reis, van 1829 tot 1834 naar Italië en Duitschland, terwille van zijn zwakke gezondheid ondernomen, werd hij zijn roeping bewust en spaarde hij noch moeite noch inspanningen om door het verwerven van practische kennis gelijken tred te houden met den innerlijken drang van zijn ontwaakte kunstenaarsnatuur. In Italië vond hij niet de ontwikkeling die hij intuïtief zocht, maar, toen heimwee hem terug naar zijn vaderland lokte, trof hij op

Sluiten