Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

143

voor mij een aanwijzing om, bij de verklaring wat onze muziek eigenlijk is, ieder accoustisch phenomeen uit te schakelen en te zoeken op het terrein van het pythagorische stelsel. Want door toevoeging van een pythagorische kleine terts naar boven aan een pythagorische groote terts blijft het majeur (scherp) karakter van het majeurkarakter volkomen hetzelfde, evenals de consonantie van de pythagorische kleine-terts-twee-klank, ongestoord, dat is consoneerend, blijft door toevoeging naar boven van de dissoneerende pythagorische groote terts.

Zoo kom ik er toe, om een duidelijk onderscheid te constateeren tusschen een accoustische consonantie van secundaire orde en een muzikale consonantie van secundaire orde, wanneer ik verder ga dan octaaf en kwint, want bij octaaf en kwint zijn de accoustische en muzikale consonanties van gelijke (en primaire) orde. De consonantie van vijfden boventoon bekleedt in de muziek een zeer bizondere plaats, omdat zij, feitelijk in het muzieksysteem niet thuis behoorend, niettemin toch gebruikt wordt. Dat dit zoo is, dankt zij aan het feit, dat zij zoo dicht gelegen is bij de pythagorische (groote) terts. Omgekeerd zou men kunnen zeggen, dat de groote pythagorische terts daarom dissoneert, omdat hij te dicht gelegen is bij den vijfden boventoon. Met deze feiten vóór zich wordt het aannemelijk de muzikale consonantie van tweede orde, dat is de kleine terts (natuurlijk pythagorisch), als alleen staande in deze orde, te verklaren. Wanneer men een open kwint neemt, zeggen wij C—G, en men brengt daar tusschen een nieuwen toon uit het muzieksysteem, dan wordt die als het ware, zoekende naar een consoneerende oplossing, gedreven naar het midden tusschen C en G. Die consoneerende rust vindt hij in Es en in den vijfden boventoon (tweede onderoctaaf), die iets lager ligt dan E. Maar die consoneerende rust vindt hij niet in

het werkelijke pythagorische majeur. En waar de accoustische consonantie van nog hooger orde is dan de muzikale consonantie, is het verklaarbaar, dat men zoo dikwijls als slotaccoord van een mineurstuk het majeuraccoord aantreft, natuurlijk in dit geval met iets verlaagde terts tot op de correspondeerende hoogte van den vijfden natuurtoon. Zoo is het ook gewoonte geworden in rustperioden van een majeurstuk, waar dus de melodische voortschrijding als het ware tijdelijk (of aan het slot voor goed) is uitgeschakeld, de pythagorische tertst te verlagen tot de physische of natuurterts.

De heer Dr. Van der Hoeven Leonhard zegt, dat hij mij niet volgen zal op mijn schreden door het gebied der instrumenten van niet-vaste stemming, omdat het persoonlijk nimmer in vaste cijfers weer te geven gevoelselement hier te sterk op den voorgrond treedt. Ik concludeer daaruit, dat de schrijver zich niet voldoende moeite heeft gegeven de door mij beschreven proeven met strijkinstrumenten (bladzijde 83 van het nummer van 16-1-'23) te bestudeeren, omdat mijne proeven zóó ingericht zijn, dat de toonverhoudingen door de reine-kwinten-stemming der losse snaren als het ware gefixeerd zijn met uitschakeling van ieder gevoelselement of de één of andere persoonlijke appreciatie. Waarschijnlijker acht ik het echter, dat hij niet voldoende op de hoogte is van wat eigenlijk de pythagorische stemming is, omdat hij op bladzijde 23 (nummer van 16-11-23) woordelijk het volgende schrijft: „Men kan derhalve wel van pythagoree„sche tertsen, kwinten, enz. spreken in den „zin van tweeklanken, die het oor van den „musicus van onze dagen meer bevredigen „dan de z.g.n. physische verhouding der „trillingsgetallen 4/s. 2/V enz-< maar dan „moet men wel weten, dat een dergelijk „Pythagoreesch interval met geen enkelen „schijn van zekerheid gelijk te stellen is „aan het gelijknamige interval, door Py-

Sluiten