Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

„thagoras bedoeld en beschreven".

Het spreken van een „pythagorische" kwint bewijst reeds, dat de schrijver zich niet thuis gevoelt op dit terrein der muziekwetenschap, maar hij demonstreert dit nog meer waar hij bij het aanhalen der tegenstelling met de natuurkundige stemming de trillingsverhouding 2/3 noemt. De trillingsverhouding 2/3 komt immers voor in beide stemmingen, want deze trillingsverhouding is die der reine kwint. Bovendien is het Pythagorische interval van Pythagoras zelf precies gelijk aan het tegenwoordige, want de Grieken konden natuurlijk ook in reine kwinten stemmen.

Mijne proeven met twee verschillend gestemde piano's in een bijeenkomst van het Muziek-Paedagogisch Verbond heeft de heer Dr.Van der Hoeven Leonhard niet bijgewoond, maar niettemin meent hij te moeten leeraren hoe veel beter ik gedaan zou hebben, wanneer ik naar zijn raad geluisterd en er ook een derde piano (in getemperde stemming nota bene!!!) bij had genomen en het auditorium met stembriefjes zijn oordeel had laten bekend maken. Laat ik hiervan het volgende zeggen. Stembriefjes gebruikt men niet in dergelijke gevallen, omdat bij mijn proeven gebleken is, dat met algemeene stemmen verklaard werd, dat pythagorische muziek de muziek is zooals ieder musicus die „empfindet" (ik wist dit van te voren) en dat muziek volgens de natuurkundige stemming niet als goede muziek door den musicus wordt en kan worden geaccepteerd. Wat nu de derde piano in getemperde stemming betreft, ben ik niet zoo dom geweest die er bij te halen. Wij musici weten waarachtig wel, dat de piano niet precies juist in de stemming overeenkomt met ons muzikaal gevoel. Wij hebben allen wel waargenomen, dat de kwinten een kleinigheid te klein zijn, maar zóó weinig, dat het niet hinderlijk is, wij „empfinden" ook wel, dat de groote-secunde-schrede iets te klein is en wij zouden ook wel gaarne soms on¬

derscheid willen kunnen produceeren tusschen een cis en een des, (de eerste „empfinden" wij hooger dan de tweede), maar als praktisch muziekinstrument zijn wij met de piano zeer tevreden (de verschillen met de pythagorische stemming zijn dan ook inderdaad zeer gering, zie mijn artikel van 16-1-23, bladzijde 84). Het zou dus geen zin gehad hebben de getemperde piano erbij te halen. Het ging er slechts om, uitgemaakt te zien, of musici denken en „empfinden" in de taal der pythagorische muziek of in die, ontworpen in het laboratorium van Helmholtz. Met opzet koos ik een brutaal begin. Ik wist, dat een pythagorische majeurdrieklank in den vorm van een geluidsproef onaangenaam voor het oor aandoet. En toch begon ik met het begin van het Meistersinger-Vorspiel, want ik wist, dat het juist het hooge scherpe van de pythagorische groote terts is, welk het tintelend-schitterend — ik zou haast zeggen overmoedig — karakter aan het echte onvervalschte majeur verleent. De arme pianisten, die' begonnen op de natuurkundig gestemde piano (met natuurterts 5/4) hebben zich de vingers kapot gebeukt en toch kregen zij geen kracht uit de piano, maar daarna, bij het bespelen van de pythagorisch gestemde piano, kon ik, het auditorium gadeslaande, op aller gezichten de gewaarwording bemerken van muzikale bevrediging, ja dit was inderdaad muziek!

Zonder mijne proeven gehoord te hebben, meent de heer Dr. Van der Hoeven Leonhard, dat het auditorium boven de pythagorisch gestemde piano de voorkeur gegeven zou hebben aan de piano, door den ervaren goeden ouden stemmer getemperd gestemd. Met die uitspraak bewijst hij niet te willen weten wat muziek eigenlijk is. Ook bewijst hij ermede, nooit dieper in het vraagstuk van het produceeren van muziek te zijn doorgedrongen, waar het geen instrumenten van vaste toonhoogte betreft (piano en orgel). Ne-

Sluiten