Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

152

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Personalia.

Anton Sistermans. f

Hij was reeds lang aan het sukkelen, zag er den laatsten tijd beklagenswaardig slecht uit. Op het Conservatorium voor Muziek te Rotterdam — niet lang na de oprichting in 1917 was hij er als hoofdleeraar voor zang aan verbonden — waar ik hem geregeld ontmoette, heb ik nog een paar weken geleden gemeend hem te moeten waarschuwen. Hij was ziek geweest en ik vreesde dat de werkzame, plichtsgetrouwe man zich ter wille van het werk te vroeg weer in het gure Februariweer gewaagd had. Maar hij wilde er niet van hooren, zei dat het wel weer gaan zou. Helaas! het is anders geloopen. Nadat hij een paar dagen zijn lessen gegeven had kwam de boodschap, dat Sistermans in het R.K. Ziekenhuis te 's-Gravenhage opgenomen was en dat zijn toestand zorg baarde; een paar dagen later volgde de tijding van zijn overlijden.

Nog niet zoo lang geleden, eerst bij zijn zangersjubileum, toen ter gelegenheid van zijn zestigjarigen geboortedag is er gelegenheid geweest van Sistermans leven en werken te spreken. Wij zullen niet in herhaling vervallen en volstaan met de mededeeling, dat in Sistermans een belangrijke figuur van een vroegere periode heengegaan is. Voor zijn zangersroem moet men twintig of dertig jaar terugdenken. Toen was hij in zijn volle glorie, man van gezag in Duitschland en Oostenrijk waar hij zijn vrienden telde onder de grooten uit de muzikale wereld.

Sistermans is een van de vele slachtoffers van den grooten oorlog geworden; de toestanden in Duitschland dwongen hem in 1917 naar Nederland terug te keeren. Belangrijke verliezen had hij geleden en zijn goede tijd als zanger was voorbij. Dies schoot er niets anders over dan zich geheel aan de paedagogie te gaan wijden. Zooals gezegd, hij kreeg een aanstelling

aan het Conservatorium te Rotterdam, werd leider van een Operaklasse aan het Koninklijke Conservatorium te 's-Gravenhage, leider van een Rotterdamsch Kerkkoor en van een aardig gezelschap, dat zich ten doel stelde oude vergeten kleine operaatjes en zangspelen te vertoonen. In verschillende steden van ons land heeft Sistermans met dit gezelschap veel bijval gevonden.

iiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiii minimum nimimmi miimiimmiimHi hui

Gradus ad Parnassum. II.

Zeker tien minuten vóór het lesuur van Emmy verstreken was, hoorden we al het bescheiden tikje van de volgende leerlinge.

Onhoorbaar werd dan de deur geopend. — Een lange magere gestalte liep, beangst voor elk geruisch dat ze maken kon, op een stoel in den verst verwijderden hoek van de kamer toe; bleef daar stokstijf zitten, sprak geen woord, maar volgde met haar oogen elke beweging van haar voorgangster, tot deze, na veel drukte, goed en wel vertrok en veel harder dan noodig was, de deur achter zich toegehaald had.

De manier waarop ze dan haar „goeden morgen mijnheer" zei en de keurig op volgorde geplaatste boeken snel-energiek uit de tasch greep, deed denken aan iemand, die terloops even aankomt, om zoo spoedig mogelijk weer te vertrekken. —

Nooit echter miste ik een schuwen blik naar de deur onder haar wandelingetje naar de piano.

„De juf met de krakende vingers" noemde Emmy haar; die deze geestige benaming dankte aan een slechte gewoonte om altijd aan haar vingers te trekken, ze te buigen, te kneeden of het een voorwerp was dat men pasklaar moest maken. Ja, ik kan me voorstellen, dat Emmy die „knekelbegeleiding" onder haar spel, zooals ze dat uitdrukte, minder prettig vond.

Die quasi-onverschillige houding bij het

Sluiten