Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

157

treft, daar blijkt de schrijver ten eenenmale te kort te schieten! Zijn kennis van de harmonieleer bepaalt zich tot de wetenschap van de samenstelling der accoorden; van de verhouding dier accoorden tot de toonsoort waarin een stuk staat heeft hij niet het minste begrip.

Ik wil aannemen dat zijn verklaring (bl. 106) „la modulation se produit vers „mi mineur et sol bémol majeur" waar 't geldt Es en g, op een ongecorrigeerde vergissing berust, maar wanneer hij (blz. 115) meent te zijn in sol mineur, waar die harmonie beteekent: onderdominant van d; waar hij (blz. 117) spreekt van „gaan naar A, omdat in een lange episode in E, even een dt( wordt aangeroerd; wanneer (blz. 80) gesproken wordt van „gemakkelijk moduleeren" van Ces naar F, en 't niets anders is dan het toepassen van de „Napelsche Sext"; wanneer dan nog de Finale van Op 59 II heet te beginnen in C, en dus de schrijver zich niet bewust blijkt te zijn dat wij te doen hebben met e VI, dan toont hij een slechts zeer oppervlakkige kennis van de harmonieleer, en niet het minste begrip van de tonale functies te bezitten.

Ook met de muzikale vormleer staat hij op gespannen voet! Hij spreekt meermalen van „tweede thema" waar 't den „overgangs-satz" na 't eerste thema betreft; hij ziet niet dat een passage in 't eerste gedeelte van Op 59, I een „Fugato" is, en — sprekend bewijs van eigen onmacht! — wanneer de „Grosse Fuge" aan de beurt is, vindt hij dat hij niet beter kan doen, dan de analyse van Vinc. d'Indy in haar geheel af te drukken.

Dat alles stempelt het boek — voor 't grootste gedeelte — tot dilettantisch gedoe.

Voor 't aanhalen van 'tgeen anderen reeds gezegd of geschreven hebben, heeft de schrijver een groote voorliefde; ik vond ook een aantal citaten uit het boek van Theodor Helm „Beethoven's Streichquartette' ('t beste wat mij, op dit gebied, be¬

kend is) waartegen niemand bezwaar kan maken, mits de aanhalingen als zoodanig worden kenbaar gemaakt.

Wanneer ik echter vind, bij de Matiiave: 1)

„L'artiste (sic!) paraït tout a coup in„quiet; une voix monotone, solitaire et „souffrante (l'alto naturellement), s'élève „sous les accords espaces et mourants des „autres instruments: voix intérieure, ou, si ,,l'on admet la légende de la nuit d'étoiles, „apparation mystérieuse qui se forme dans ,,1'ombre" en bij Helm:

„Der Tondichter scheint hier gespannt „nach einer Richting hin zu horchen, wo,,her diese seltsam monoton herausklagen„de Stimme (natürlich der Viola!) dringt „ist es „innere Stimme") oder, wenn wir „das Bild der Sternennacht festhalten, ir„gend eine ratselhafte Erscheinung",

en verder, bij den Franschman:

„Le mouvement de trioiets devient de „plus en plus pressant" . . . en: „nouveau „sursaut, enfin explosion d'un cri puissant „et lugubre — qui oppresse le coeur comme ,,un appel de mort", en bij den Duitscher:

„Die Triolenbewegung wird drangender" ... en: „das (Violoncell) reisst sich „stolz empor und stürzt sich wieder zurTie„fe und baumt sich auf, bis ein gewaltiget „Aufschrei — und sei es der „Ruf zum „Tode" — dem gepressten Herzen Luft „macht", (voorbeelden die ik nog met vele andere zou kunnen vermeerderen, o.a. de bespreking van het cis-moll kwartet) dan moet ik, hoe ongaarne ook, de slotsom trekken, dat de schrijver niet is teruggeschrikt voor het bewust plegen van plagiaat; dat hij, zonder de bron te noemen, aanhalingen uit het boek van Helm doet doorgaan voor eigen uitingen, en . . . dat hij, waarschijnlijk tengevolge van onvoldoende kennis van de Duitsche taal, vaak nog onjuist vertaalt ook (men vergelijke den Franschen met den Duitschen tekst van den laatst aangehaalden zin) waardoor de bedoeling

*) Alle spatiëeringen van mij. W. H.

Sluiten