Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

161

Tijdens het directeurschap van Viotta werd de Kon. Muziekschool verdoopt tot Kon. Conservatorium voor Muziek.

Toen Viotta — in 1919 — meende dat voor hem het oogenblik van heengaan geslagen was, werd als zijn opvolger benoemd de man die gansch muzikaal Nederland als den meest geschikte voor dat ambt beschouwde, die het vertrouwen genoot van de kunstenaars zoowel als van het publiek: Dr. Johan Wagenaar, onder wiens krachtige leiding het Conservatorium groeit en bloeit als nimmer te voren.

Zijn tact, gepaard aan zijn onbetwistbaar gezag, heeft een verhouding geschapen tusschen directeur en leeraren, zooals ze niet beter gewenscht worden kan. Hij past een systeem toe (het eenig juiste!) waarbij hij uitgaat van het denkbeeld dat de gekozenen tot het leeraars-ambt daarvoor ook ten volle de bekwaamheden bezitten, en laat hen werken naar eigen inzicht. Het resultaat van hun onderricht is dan het bewijs van hun geschiktheid.

Die behandeling wekt bij het leeraarspersoneel den lust tot den arbeid, den prikkel dien zoo goed mogelijk te verrichten, de voldoening het werk gewaardeerd te zien.

De mij gegunde ruimte gedoogt niet, dat alle leeraressen en leeraars hier worden genoemd, maar toch mag niet worden verzwegen dat zeven hunner reeds vóór 1900 aangesteld zijn; hunne dienstjaren variëeren tusschen 42 en 26 jaren. Het zijn: Mlle M. Gaydou en verder — in volgorde van anciënniteit — de H.H. Arn. Spoel, H. F. Völlmar, C. D. Oberstadt, J. A. de Zwaan, W. Renaud en L. M. J. Angenot.

Resumeerend: het Koninklijke Conservatorium, vrij van alle ouderdomsgebreken, viert zijn honderdjarig bestaan in volle kracht en gezondheid. Allen, die 't wel meenen met de vaderlandsche toonkunst brengen het, in de persoon van zijn directeur hun beste gelukwenschen, en . . .

spreken de vurige hoop uit, dat op een niet ver verwijderd tijdstip, het Conservatorium een nieuw gebouw moge betrekken, zijner en hunner die er hunne krachten aan wijden, volkomen waardig.

* * *

Wij betuigen Wouter Hutschenruyter onzen hartelijken dank voor een hem zeker waardige levensschets en voegen onze wenschen bij de zijne. Verlangen naar een voldoend en dus ook stemmend huis onzer eenige staatsinstelling tot toonkunstenaarsvorming hebben wij ter gelegenheid van het koninginnejubileum al geuit. Er is ook iets, dat wij zoowel van als voor dit instituut niet vergeefs mogen hopen: het behartigen van klokkenistenopleiding. De tijd waarin het klokkenklavierspel eigenlijk geen vak van ernstige toonkunst meer scheen ligt gelukkig ver achter ons. De Nederlandsche regeering heeft het steeds ruimer verbreide besef van de beteekenis der torenmuziek erkend door zich te doen vertegenwoordigen op de beiaardcongressen. Maar Nederlanders moeten om zich op den beiaard te bekwamen naar Vlaanderen gaan. Ginds werd het leeren der klokkenbespeling een voorwerp van Belgische, toch weinig speciaal Vlaamsch gezinde regeeringsbemoeiïng. Ten onzent is de krachtens reglement tot het geven van onderwijs in alle vakken van toonkunst verplichte muziekschool onder rijksbeheer ongetwijfeld geroepen om te zorgen, dat de gemeenten hun tot volksontwikkeling machtig maar nog dikwijls onwaardig behandeld muziekinstrument kunnen toevertrouwen aan bevoegden.

Die roeping worde bij 't honderdjarig bestaan der school door de beschikkenden ingezien en dan ten spoedigste vervuld!

v. W.

Sluiten