Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

175

25 „ * Enrico Marco Bossi 1861 — 1925.

f Willem Frederik Gerard Nicolaï 1829— 1896.

27 „ "Friedrich von Flotow 1812—1883.

* Jan Adam Reinken 1623—1722.

* Andreas Jakob Romberg 1767—1821.

28 „ * Ludwig Schytte 1848—1909.

* Julius Hey 1832—1909.

* H. C. van Oort 1873.

30 ,. f Jan Pieter Nicolaas Land 1834—1897.

Het is vijf jaren geleden dat Diepenbrock van ons heenging — zoo lang al. Ook al lang komen zijn werken in een standaarduitgaaf tot ons. Wat mij 't naar hem genoemde Fonds door Noske bracht, heb ik weer gespeeld. Eerst het Te Deum, en ik denk ver terug aan die zomeruitvoering in de Naardensche kerk, toen het de rij der onvergetelijkste van hem ontvangen vreugden opende. Niets heeft het voor mij verloren. Geestdriftstralend, glorieus verheerlijkend en innig aanbiddend spreekt het van 't hoogste geluk. Het beeldt een kathedraal en het belijdt geloofsontroeringen, hartstochtelijk en stil. Het is rijk en eenvoudig, nooit hoovaardig, één en al liefde, mystiek en vizionair soms als een openbaring van den laatsten Beethoven, en bevattelijk voor ieder, niet ascetisch maar levensblij-heilig.aan ieder tekstonderdeel toegewijd en groot van bouwharmonie, homogeen ook in de vereeniging van 't liturgische motief en het uit eigen binnenste geborene. Wij moesten het ten minste jaarlijks eenmaal kunnen genieten.

Ik liet de kleinere geestelijke zangen volgen die het Fonds gaf, twee chromatisch-enharmonische met orgel: een Tantum ergo voor mannenkoor, bewijzend dat ook vol-romantisch lyrisme daar vermag te zegenen, en een Jesu dulcis memoria voor bariton, waarin verrukking uit omslotenheid stijgt tot eindelijk machtig schallend getuigenis. Een vijfstemmig gemengd koor a cappella, Caelestis urbs Jerusalem, huldiging van Cuypers op zijn vijftigsten jaardag, trof mij door het hartelijke der eerbiedigheid.

Naar de „wereldlijke" ben ik overgegaan langs de geleidelijkheid van dat merkwaardige „concoursnummer", Horatius Carmen Seculare. Het was iets voor den litteratorclassicus, voor den godsdienstigen humanist en den humanen godsdienstige bij die gelegenheid het feestlied van oud-Rome's eeuwgetijde te kiezen, een sober-plechtig gedicht dat religie, vaderlandszin, goede zeden, fierheid en zachtheid predikt. Men is hem niet dankbaar gebleken: te weinigen verstaan dat Latijn, al zorgde hij voor een mooie vertaling, en zoo ligt een meesterstuk veronachtzaamd, dat door vindingskracht, tekstgroepeering der zestien van de negentien strofen, wisseling van harmoniseering en unisono, van tutti, vrouwenkoor en mannenkoor, veel andere timbreverscheidenheden en allerlei schoonheid geen lengte laat gewaarworden en weldadig moet wezen als 't met de vereischte middelen wordt uitgevoerd.

Het laatste beteekent dat die voorwaarde niet gemakkelijk te vervullen is. Over al de koren van Diepenbrock zou men 't kunnen herhalen. Ook zijn Goethe-bundel is voor zeer geoefenden. Komen bevoegden er mee, dan voelen wij het stemmende der fijne polyphonie van Dammerung, dat zijn vroegen tijd (1884) wel toont maar van niemand anders kon wezen, en dan verkwikt de frischheid van Auf dem See, dan verlustigt lichtende vroolijkheid in Ergo bibamus, dan glinstert allerprettigst Gleich zu gleich met groet aan Haydn, en dan is in Wand'rer's Nachtlied om ons de zomeravondstilheid van het Thüringsche bergwoud.

De peinzende Diepenbrock mag den glunderen, gezelligen niet doen vergeten, zegt De groote hond en de kleine kat, waarvan hij zoo genoeglijk vertelde, kleine kat een beetje vreemd maar zeker om de naïviteit nemend in de prosodie van kamermat, en de vechtpartij minder typisch dan fel beschrijvend, toch heel vermakelijk. Wij denken meteen aan Den uyl. Maar

Sluiten