Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

176

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

die Zuid-Nederlaridsch jolige humoreske heeft hij nog zelf uitgegeven, in een bonte verzameling bij zijn Vijftiend'eeuwsch Bruiloftslied, zijn Twentschen Paaschzang en den herdruk van zijn Waar werd oprechter trouw. En nu wil ik mij bepalen tot het Fonds.

,,Gehoben ist der Stein" en VondeFs vaart naar Agrippina vertegenwoordigen de groote vocale solo's met orkest. Ik ben dus nog eens begonnen met een Te Deum, het voor mevrouw Noordewier geschrevene, door haar herschapene, majesteitelijkecstatische, tevens wonderlieflijkederheilsverkondiging uit Novalis' Hymnen an die Nacht. De weergaaf van Alberdingk Thijm's gedicht lijkt mij nog voor een portret van Vondel te veel op Wagner, maar liet mij weer het edel-feestelijke beleven dat wij door Mengelberg's en Zalsman's reproductie zoo sterk ondervonden.

In partituur en klavieruittreksel schonk ons het Fonds nog de menigmaal gezongen Berceuse voor mezzosopraan met violoncelobligaat, dubbel strijkkwartet en harp, gracelijke koestering van Gounod-herinneringen bij Charles van Lerberghe's verzen. Geen concert heeft mij de Preghiera alla Madonna laten hooren, een tenorlied, meer dan interessant om assimilatie van Italiaansche melodielijnen; wel heugt mij vertolking van het tweede stuk der in 1907 gecomponeerde Due canzone per canto e pianoforte, Come raggio di sol voor sopraan, buitengewone suggestie van angst en druk onder vredigen schijn.

Wie Marsyas en De Vogels hebben gezien, en zij niet alleen, zijn het Fonds erkentelijkheid schuldig voor een fragmentalbum van pianozettingen, slanke, teere, deels half-achttiend'eeuwsche, naar toenmalige Franschen en door een basthema naar Bach zweemende miniaturen uit het Attische blijspel, en een paar illustraties uit Verhagen's mythische comedie: Nymphendans en Apollo's epiloog, niet veel maar genoeg tot vernieuwd besef der

smartelijk zoete weligheid en der wijding in de muziek bij 't antieke lentesprookje.

Mijn gedenkingslectuur is geëindigd met Avondschemer, het intieme, subtiele korte pianostuk, dat een mijmering schijnt te worden over de droomerige weluidendheid der heeletonengamma-harmonieën maar, niet daaraan gebonden, in stille vrijheid weemoedstonen fluistert, soms in even verhelderend majeur en dan tevens met lichte verscherping der vage, ten slotte weer zachte droefheid.

Ik hoop dat niet weinigen met Diepenbrock zijn samengeweest door een gedeelte zijner muzikale nalatenschap, en dat zij hem eeren als een der zuiverste kunstenaarszielen, ideëel van zinnenontvankelijkheid en vergeestelijking, bewogenheid en beheersching.

Een datum der wereldgeschiedenis van onze kunst leidt onze gedachten naar Weber. Maar ik voel te moeten zwijgen, geen redeneeringen te mogen houden over Wagner's voorganger, den in 1826 op 12 April gestorven jeugdige van de romantiek der opera, den in de beste wonderen zijner oorspronkelijkheid eeuwig jonge. Het zou gemakkelijker zijn over den pianocomponist den schrijver, den veelzijdige te spreken of over de tooneelmuziektoestanden ten onzent en de plichten der Wagnervereeniging. Het essentieele van Weber's genialiteit is, geloof ik, onvergelijkelijk onontleedbaar, het trouwhartige, vurige, glansrijke, het ijl doordringende zoowel als warm omvattende, het menschenscheppende, het fantastisch en volstrekt waar natuurbeeldende. Hebben wij zijn ouverture Freyschütz.Oberon, Euryanthe weer eens genoten, dan praten wij niet daarvan. Wij zouden veel te zeggen hebben als die wat lang wegblijven, maar dat kan niemand zich voorstellen. Laat ons bij den meester, dien ieder van ons evenzeer als nog grooteren

Sluiten