Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

184

DE VEREEN 1GDE TIJDSCHRIFTEN

was gevestigd in de „Koning van Enge land" in de Nes, doch werd later verplaatst naar 't Rokin bij de Beurs, onder het uithangbord de ,,Tower van Londen". In 't laatst van zijn leven werd hij aangesteld tot stadsspeelman, eene eervolle betrekking, die slechts aan een vier- of vijftal kunstenaars verleend werd. Noch dit ambt, noch zijn muzieklokaal konden hem echter genoegzaam voordeel aanbrengen, want toen hij omstreeks 1654 overleed verviel zijne nalatenschap aan de Desolate Boedelkamer. De beschrijving van zijn inventaris vermeldde o.a. verschillende muziekinstrumenten, als clavecimbels, clavecordes, cornetten, luiten, violen di gamba, enz.

Zijn zoon Richard, die hem in de zaak opvolgde en eveneens de luit bespeelde, meende het muzieklokaal meer in trek te brengen door het uithangbord te versieren. Hij liet er een Zangberg op schilderen met de figuren van Pallas, Apollo, de Muzen en musiceerende personen, terwijl het onderschrift luidde: „De Vrintschap van Parnas", vergezeld van de dichterlijke verklaring:

Parnesses staag omringt van braave Musicyns Waer dat de Heiekon op 't hoogsten is geklavert En Pallas breyn gesplitst, dat kunst door Wysheyd

davert

En smeekt door lieflyckheyt: Apol zyt doch goet

myns.

„Daarmee wilde de dichter zeggen", aldus mr. N. de Roever, „dat de wijsheid den lof der kunsten, en de kunst den lof der wijsheid moest verkondigen. Dewijl de beide godheden hierover voortdurend aan 't onderhandelen bleven, had de wijsheid geen tijd om spreekwoordelijk in de kan te komen en daaruit verklaart zich misschien de toeloop naar Richard Hancock's muziekhalle." Van zijne gasten, die zelf eenig instrument bespeelden, werd verlangd, dat ze op hun beurt ook een „voosje" (voisje of wijsje) ten beste zouden geven. Deden ze 't niet, dan verbeurden ze

een kan bier. De instrumenten der speellieden, aan deze en soortgelijke muziekherbergen verbonden, waren in den regel viool, bas, bazuin, cornet, luit en fluit. In 1660 werd ook het klavecimbaal bespeeld, dagelijks van 3 tot 9 ure, in een herberg op den hoek van het Karthuizerkerkhof; de aanwezigheid van dit instrument in den „Tower van Londen" duidde er op, dat deze voorlooper van de piano reeds vrij algemeen in gebruik was. „De genoemde veelsoortige instrumenten", schreef D. F. Scheurleer, „wijzen op een musiceeren van eenigszins degelijk karakter, terwijl ook het medespelen der bezoekers eene niet oneigenaardige intiemheid aan zulke inrichtingen moet hebben gegeven". In die van Hancock was voor de goede orde een reglement in dichtmaat aangeplakt, dat de verschillende voorwaarden vermeldde waartoe bezoekers gehouden waren, en dat zoowel de muziek als de vertering betrof. Het luidde:

Dit is d'inleyding tot een vrintschap van Parnas Voor die tot welstand soekt dees plaats te

evenaaren,

't Gehoor te dwingen tot een trek-aar van die

snaar en,

Waardoor die kunst, door kunst, altyt genegen was. De Musyk sal geschien na noen, van vier tot tien. Men sal op hallef acht Viejool de gambe hooren, Ten waar den Hospes 't zeyd: zy doent wel naar of

vooren,

Indien den gunst van dien door weldoen wordt

versien.

Soo iemand de Viejool of Bas of yets hanteert, En niet een voosje speelt, tot straf zal moeten lyen Een kanne Bottel-Bier, off Wyn kan hem bevryen, Noch wart door Hankok dit van de Monseurs

begeert:

Al wien dat Pypen breekt, die zal terstont de boet Uytkeeren aan den Baas, dat voor de Pype-stelder. En die het ziet en zwygt, en meldt het niet, die

selder

Uytkeeren eens zo veel, en dat op staende voet. Laat dit versoeck geschien op dese Vreughde-Zael, En deze ordere in Vrintschap meyntineren; Zoo zal de kaacks, wyn en bier en bottel

triumpheeren

En de behoorlykheyt, schept lucht door Vreughde-

strael.

Sluiten