Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

185

De „kaacks", waarvan dit reglement melding maakte, bestond uit hardgebakken broodjes, of uit Engelsche cakes, welke evenals krakelingen en koekjes aan het buffet van de muziekhalle verkrijgbaar waren, te samen met een pijp varinastabak en een kan bier. Over de verdienste der speellieden, die aan zulke inrichtingen verbonden waren, en over het lichtvaardig karakter, 't welk aan sommige daarvan eigen was, schreeft de archivaris mr. N. de Roever:

„Een speelman, die op alle instrumenten thuis was en stem had, kon vijf gulden 's weeks verdienen, en buitendien rekenen op nog een gulden meer voor zijn aandeel in de „steeckpenningen", die de bezoekers aan de gezamentlijke muzikanten vereerden. Niet zelden stond er in zulke herbergen een clavecimbel, dat trouw bespeeld werd. In sommige van deze herbergen speelden voorname meesters op het klavier. Francois de Knibberch liet zich dagelijks van 3 tot 9 ure hooren in de herberg op den hoek van 't Karthuizerskerkhof, en verdiende daarmede zes gulden 's weeks. Een herbergier moest al van een talrijk bezoek verzekerd zijn als hij er zulk een klein orchest of zulke dure kunstenaars op na kon houden. Het was door de voorliefde die algemeen voor zulke muzikale herbergen werd aan den dag gelegd, dat de speellieden van beroep er al spoedig toe kwamen om in 't gilde der tappers te treden en herberg te gaan houden. Maar de speellieden die op bruiloften en andere feestelijkheden de vreugde met hunne kunst kwamen verhoogen, waren in den regel niet onbekend met den dans. De aanzienlijkste speellieden gaven meestal ook dansles, en de kamers, waar over dag die kunst onderwezen werd, openden zij des avonds om er de danslustigen te ontvangen. Dan kon het er vroolijk, ja al te vroolijk toegaan, zoodat de dartelheid maar al te vaak in ongebondenheid oversloeg, die de danskamer weldra in één adem deed

noemen met plaatsen van ontucht. Want in zulk een dansschool of „jongspul" kwamen niet zelden als mannen verkleed veel „meysgens, dochters ende getrouwde vrouwen", die meest alle Zondagen en Maandagen daar verschenen en den nacht overbleven, „drinckende, rasende, springende, dansende en andere moetwillicheyt bedryvende met allerley kyrazie." *)

Hier had derhalve de kortgerokte muze van den dans de muze der muziek verdrongen, en het publiek was er van een gansch ander gehalte dan in besloten muziekvereenigingen gelijk het Collegium Musicum en de Amsteldamsche Muzykkamer. Afgaande op de aanteekening dat de stichter van deze laatste, J. H. Krul, een smid was (hetgeen zijn statig portret door Rembrandt niet zou doen vermoeden) zou men mogen aannemen, dat de leden van die Kamer, welke er het muzykspel van „Juliana en Claudiaen" opvoerden, tot denzelfden gezeten ambachtsstand als de oprichter behoorden; een stand waaruit trouwens de rederijkerskamers niet zelden hunne leden rekruteerden. Tot een aanzienlijker sfeer van de Amsterdamsche samenleving behoorde de katholieke zang- en muziekvereeniging van het jaar 1654, waaraan Alberdingk Thym zijne novelle: „Een Amsterdamsch Musyck-college in de 17de eeuw" wijdde. De leden daarvan kwamen op Woensdagen bijeen in een perceel in de Zwanenburgerstraat, dat bewoond werd door den koster van de Mozes- en Aaronkerk. 't Was het „MusicCollegie ter eeren van de Alderheyligste Maget Maria", waar voornamelijk missen werden gerepeteerd en kerkelijke muziek ten gehoore werd gebracht. Onder degenen, die naar zulke uitvoeringen kwamen luisteren, behoorde de dichter Jan Vos, pater v. d. Cruyssen, leden van de Italiaansche familie Benzi, van de Fransche families Michel en Pasquiers de Noyelles, van de Spaansche Garcia en Alphonso,

*) Uit onze oude Amstelstad I 105.

Sluiten