Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234

DE VEREEN1GDE TIJDSCHRIFTEN

op den trommele. Wat zijn die zangen kloek, vroom in de toenmalige beteekenis en soms ook in de tegenwoordige.

De geestelijke liederen, mede die voor Nieuwjaar, nog Kersttijd immers, brengen eenige lieve getuigenissen van behaaglijke verzonkenheid en eenige heerlijke van diepe wijding. Vele treffen tevens door de piëteit van M. J. Bouman, wiens bewerkingennalatenschap onuitputtelijk schijnt. Mooi heeft ook Garms er een paar gezet, een in blank Dorisch.

Van zulke stukken komt men ongaarne tot negentiend'eeuwsche vaderlandsche. Ze vallen mee. Daar is een Geldersch lied van Staring, waarbij Wilms een flinke melodie vond. Tollens en zijn ongenoemde componist van „Holland bovenal" maken geen kwaad figuur tegenover navolgers. Twee goede Heije-Viotta's helpen voor pittigheid zorgen. En over de groep waait een oude vlag in schoonheid uit: Lof van Holland.

Zoo gaan de soldatenliederen achter een zeventiend'eeuwsch vaandel, en onder de jongere zijn er die zich niet behoeven te schamen, Zuid-Nederlandsche.Verder zijn met galgenhumor de Kozakken herdacht. Van ons mag een signaal met woorden er ook wezen. Wij hebben er meer dan één voor een anderen troep. Om de voorstelling is Garms te huldigen.

Ook aan de bedrijfsliederen heeft hij meegewerkt, met geest en zin voor klankeffect. Aardige dingen en verrassende zijn er bij. Leve de Scheresliep! Wat een bloemenmeisje heeft gezongen lijkt in den tekst minder geloofwaardig.

De drinkliedjesrubriek werd ruim genomen, tot naar Oostland en naar Den Bosch toe. Men kijkt er van Tinel's leutigheid op, en wil bravo roepen voor Bier, baas. Zeer ernstig klinkt het oude Die my dit bekerken schencken deet. Maar dat is ook meer een liefdemijmering.

Bij de liedekens van minne kregen met Cupido's trotsche machtspreuken tot de

medegoden, het zachte en reine klagen van De Winter is een onweert gast, de welluidende maar niet erg droeve verzuchtingen over de valsche wereld en den curieuzen dialoog van Coridon en Mopsus ook hartelijke, deels door Schumann geïnspireerde composities van Marius A. Brandts Buys en zijn broeder Ludwig Felix een plaats; wie zou deze terreinuitbreiding afkeuren?

De „Stemmingen" doen vooral gedenken hoe gevoelig Willem Petri zich kon uiten.

M. J. Bouman's illustratiekunst is weer eigenaardig getoond door drie van de zoogenaamde carillons, liedjes die heeten naar de stad waar het klokkenspel hun voois bekend maakte. De benaming is voor het eerst ook gegeven aan het deuntje dat sinds onheuglijken tijd in Mei door het torenuurwerk te Gouda wordt gespeeld, een heel frissche, metrisch ongewone melodie, waarin de maatstrepen hun plicht beter kunnen doen. Een ex-Gouwenaar had den bewerker de wijs voorgezongen als een herinnering van wel vijftig jaren her. Wij moeten de lezing van het zéér oude bewaarde versteekblad kennen. De klokkenist G. van Zuylen zond mij vriendelijk een afschrift. Het doet respect krijgen voor 't geheugen van Bouman's bejaarden voorzanger, maar den bekoorlijken siciliano toch ook volgens het document uitgegeven wenschen. Na de carillons is het liedje meegedeeld, dat Joh. Wagenaar maakte voor den zeshonderdsten jaardag der eerstesteenlegging van den Utrechtschen domtoren. Het heeft typisch de rustig-opgewekte kinderlijkheid en genoeglijkonaandoenlijke wijsheid van onze werktuigelijke klokkenmuziek.

Voor onze persoonlijke biedt het liederenboek schatten. Hopen wij dat onze beiaardiers veel van die juweelen nemen en ook voor zoover het kan de voorbeeldige zettingen.

Sluiten