Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

235

En bevorderen wij den voorspoed der vereeniging Het Nederlandsche Lied. Lid worden en leden werven! Adres: Utrecht, Nieuwe Gracht 2.

v. W.

iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii iiiiiiiMiiiin iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiraiiiiiiiiiiiiiiii iiniiiiiiii

Over Transponeeren van Liederen door

P. C. BREDERODE.

't Is de bekende kwestie, die zich altijd weer voordoet bij het optreden van zangers en zangeressen, of het geoorloofd is te zingen in een andere toonsoort dan de oorspronkelijke.

Er zijn recensenten, die steeds bij transpositie van liederen heftige standjes uitdeelen en het voorstellen, alsof de componist daardoor „beleedigd" is.

Vele van de critici, die niet begaafd zijn met het absolute gehoor (en het is bekend, dat vele „grooten" op muziek-gebied het zonder die gave moeten stellen) bemerken van de veranderde toonsoort niets. Dit feit alleen al zou tot voorzichtigheid moeten vermanen bij het al te kras optreden tegen zoogenaamde „overtreders", „beleedigers" van componisten.

Zeker, er zijn gevallen, waarin transponeeren niet mogelijk is zonder inboeting van schoonheid. Zoo is het algemeen bekend, dat b.v. de liederen van Grieg die bewerking al zeer slecht verdragen, en een niet muzikaal ontwikkelde kan zelfs wel constateeren, dat we het Wilhelmus of het „Wien Neerlandsch bloed" zoo maar niet eens een terts of een kwart lager kunnen gaan zingen. Maar het is, dunkt mij, zeer verkeerd in de aangegeven kwestie te gaan generaliseeren.

Hoe vaak kwam-het niet voor, dat een • componist een lied aan een bepaald persoon wilde opdragen. Als hij dus aan zijn schepping begon, is het allerminst uitgesloten, dat de bepaalde stem, die hij op het oog had, hem bij zijn arbeid de volle vrijheid benam, en dat hij hier en daar

door zijn inspiratie de grenzen te buiten

ging-

Als beginnend componist had Schubert b.v. er geen last van, dat hem al te veel aandacht werd geschonken. (En toch: Erlkönig Op. 1, Gretchen am Spinnrade Op. 2!) 't Is overbekend dat Goethe niet veel gevoelde voor de compositie van Erlkönig, en dat een naamgenoot van Schubert, wien men bij vergissing dit lied terug zond, diep verontwaardigd was, dat men hem voor den maker aanzag van „zoon ding".

Het is dus begrijpelijk, dat Schubert, die er toch op bedacht moest zijn zijn werk aan de wereld te toonen, speciaal dacht aan zijn vriend Vogl, den bekenden tenor uit die dagen, als vertolker van zijn liederen. Hij werd er als van zelf toe gebracht veel voor die stemsoort te componeeren. En het is wel degelijk de vraag, of hij anders zich niet vaak in een andere toonsoort had uitgesproken, dan die welke hij gebruikte met het oog op zijn vriend.

De geniale compositie „Der Doppelganger", b.v. staat oorspronkelijk in H moll. De tenor moet nu de donkere stemming van het begin: „Still ist die Nacht, es ruhen die Gassen", enz. schilderen met zijn lagere tonen, die hij niet zoo vaak gebruikt, en waarin zoo'n stem de minste uitdrukkingsmacht bezit. Bij de passage: „und ringt die Hande" komen enkele hooge tonen aan de beurt, maar dan weer, bij „Du Doppelganger, du bleicher Geselle!" zijn het al weer de lage tonen, die het smartgevoel moeten vertolken, en die lage tonen zijn daar bij den tenor zeer slecht toe in staat.

Waar nu in het algemeen liederencomponisten veel te weinig van het stemorgaan weten, veel te weinig besef hebben van de uitdrukkingsmacht van de verschillende stemsoorten in hare verschillende liggingen, daar is het, afgescheiden nog van het zoo even aangevoerde, van den jongen Schubert niet te eischen, dat hij compo-

Sluiten