Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

254

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

fjean Philippe Rameau 1683—1764.

13 „ * Elisabeth Kuyper 1877.

* Arnold Schönberg 1874.

*Clara Schumann—Wieck 1819—1896.

14 „ * Maria Luigi Zenobio Carlo Cherubini

1760-1842.

15 „ * Halfdan Kjerulf 1815—1868.

16 „ f Frans Dunkier 1816-1873.

17 „ * Guiseppe Saverio Mercadante 1795-1870.

* Ludwig Siegfried Meinardus 1827-1896.

18 „ fTheodor Kirchner 1823-1903.

22 „ fJulius Stockhausen 1826—1906.

23 „ f Sophia Johanna Huberta Offermans-van

Hove 1829—1906.

24 „ fVicenzo Bellini 1801 —1835.

f André Erneste Modeste Grétry 1732-1813.

* Willem de Haan 1849.

25 „ * Jean Philippe Rameau 1683—1764.

f Johann Strauss Sen. 1804—1849.

27 „ * Johan Jacobus Schoonderbeek 1874.

28 „ * Johann Mattheson 1681 —1764.

* Cyril Scott 1879.

29 „ * Jan Hermanus Besselaar Jr. 1874.

* Wilhelmina Gips 1843—1895.

30 „ * Karei (genaamd Charles) Grelinger 1873.

* Johann Sverin Svendsen 1840—1911.

* Charles Villiers Stanford 1852.

Had Bayreuth in dezen zomer, den vijftigsten na het ontzaglijke begin der openbaringen op „den lieflijken heuvel", zijn bonte menigte verzameld, dan zouden getrouwen, met hun herinneringen bijeen, allicht ook iets tot elkander gezegd hebben over het weldra te vieren eeuwfeest der geboorte van „den oudsten Wagneriaan". Zoo noemde men voorheen gaarne Richard Pohl, Liszt, den immers meerdere, niet meerekenend. Zijn naam van eigen keus, een welverdiende pseudoniem, was Hoplit, het Duitsch vervormde Grieksche woord voor zwaargewapende. Vele jaren had hij schild, speer en zwaard gehanteerd voor zijn meester, wiens overwinning hij voltooid zag, toen zijn sterfjaar 1896 met „willkommen in Bayreuth" de belijdenis zijner levensgrondvest bracht, en Houston Chamberlain's artikel van gelijke strekking de wagnerianen der krijgsperiode naar de „petrefactenkunde" verwees.

Vele jaren, ofschoon het fundament waarvan hij getuigde niet, zooals hij zeker

bij wijze van spreken zeide, hem een eeuwhelft geschraagd heeft; minder lang ook dan Cosima Wagner blijkens een herdenking met gewag der in 1850 door Liszt gegeven eerste voorstelling van Lohengrin werkelijk meende. Van Wagner's composities had hij, naar hijzelf berichtte, vóór 1852 niets gehoord, en hij had over Wagner's vertolking in '48 iets geschreven dat hem voorgoed onmogelijk kon maken, en niet alleen bij den beoordeelde met diens kring of partij.

Zijn bedoelde, door de Signale gepubliceerde kritiek betreft een Palmzondag-uitvoering van Beethoven's achtste symphonie te Dresden. Op een wel te begrijpen afkeuring van het toen nieuwe langzame menuet-tempo, waarover Wagner's in zijn geschriften bepleit gevoelen algemeen geworden is, volgt: Es ist die coquetterie zu rügen, mit der er stereotyp die Beethovenschen Meisterwerke dirigiert, ohne einen Bliek in die Partitur zu thun. Das soll etwas Besonderes sein, heiszt aber Nichts, als dasz Herr Wagner von sich sehr eingenommen ist. Uebrigens ist der Zuschauer im Zweifel, of Herr Wagner nicht den Concertmeister Lipinski als seine Lebendige Partitur betrachtet, da er eigentlich nur das Tempo nachschlagt, was jener vorgeigt, und da Herr Wagner, wie in der Generalprobe, es durchaus nicht unter seiner Würde halt, sich aus seinem vergriffenen Tempo im letzten Satz durch das Orchester heraus, und in ein gemassigteres hinüber fahren zu lassen.

De jonge Pohl moet erg ontvankelijk zijn geweest voor invloed van klets . . . pardon . . . beweringen; anders was hij tot zulken onzin niet gekomen. Duidelijk hoort men hier een echo van Dresdenaars die zich ergerden omdat hun Reissiger overvleugeld werd.

Nog iets uit zijn vroegen tijd, maar al van bijna zes jaren later, geeft een ongunstigen dunk. Hij had gebrek aan objectiviteit en aan liefde gevonden in de werken

Sluiten