Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

255

van Schumann, die waande hem goed te kennen als geestverwant — ook door verbindenden tekst bij de Manfred-muziek — en 6 Febr. '54, (eenentwintig dagen vóór het uitbreken van de hersenziekte met de poging tot verdrinking) hem schreef, dankend voor zijn Akustische Briefe, zich minder ingenomen toonend met zijn als brochure verschenen meedeelingen over 't muziekfeest te Karlsruhe, verklarend de zoogenaamde Zukunftsmusiker, Wagner, Liszt voor Gegenwartsmusiker te houden en de zoogenaamde Vergangenheitsmusiker, Bach, Handel, Beethoven voor de beste Zukunftsmusiker, en aldus eindigend:

Lieber Hr. Hoplit! Der Humor ist die Hauptsache und dann, was Sie an meinen Compositionen vermissen und was namentlich dem Lied ,,Du meine Seele" fehlt, die Liebe. Diese beiden Hauptsachen will ich anwenden, um über das, was Sie mir angethan hinwegzukommen. Noch Eins: ich habe, so lang ich öffentlich schrieb, es für meine heilige Pflicht gehalten, jedes Wort, das ich aussprach, auf das Strengste zu prüfen. Ik habe jetzt auch die freudige Genugthuung, bei der neuen Ausgabe meiner Schriften fast alles unverandert stehen lassen zu können! Ich bin alter als Sie, ich blicke durch mein langjahriges Schaffen und Arbeiten tiefer und klarer in die Geheimnisse. Suchen Sie's nicht in philosophischen Ausdrücken, nicht in spitzfindigen Unterscheidungen. Jean Paul mit seinem innigen Gemüth hat die Musik tiefer begriffen als der scharfdenkende Kant.

Nun mit meinem Sprung über die Kluft, die uns getrennt, weg! Richard Pohl ist mir lieber als der Hoplit. An den Ersteren ist auch dieser Brief gerichtet mit alten Grüssen. R. Sch.

Dien brief (door Gustav Jansen het eerst uitgegeven in Die Musik, jaargang 1905—'06, nummer 20) laten Pohl's Erinnerungen an R. Schumann, die van de correspondenties nauwkeurig gewagen, onvermeld. Zou hij niet zijn verzonden? Wij wil¬

len 't onderstellen: het is bezwaarlijk te gelooven dat hij wel was ontvangen maar vergeten of verzwegen.

Deze gevallen mogen ons niet wantrouwig stemmen jegens hem, die Schumann, den subjectieven lyricus en stilstaanden moderne verliet om, met de naar 't schijnt onvermijdelijke, telkens immers herhaalde miskenning van het tot dusver beminde, zich onder de vaan der dramatisch of episch objectiveerende, voortstrevende modernen te scharen.

Hen heeft hij gediend als academisch ontwikkeld en tot critisch inzicht gerijpt intellectueel, als knap musicus, componist mede van ervaring en smaak, als degelijk en boeiend schrijver met ook dichterlijke begaafdheid, en als geestdriftig, moedig, oprecht en onafhankelijk man. Er is geen reden om zijn achtenswaardigheid verdacht te maken, wat Kalbeek in de biografie van Brahms deed met akelig kleinen giftigen haat. Het was zijn goed recht tegenover Hanslick te wijzen op de prioriteit zijner erkenning van Brahms' talent of genie — tusschen die twee termen had hij namelijk destijds in zijn beschouwing voor de toen door Brendel geredigeerde Neue Zeitschrift für Musik geweifeld. Hij, Wagner's paladijn, legde respectabele zelfstandigheid en dapperheid, zeker geen dubbelhartigheid aan den dag, toen hij ter gelegenheid van Franz Wüllner's Keulsch onpartijdigheidsmuziekfeest in '72 het idool der vijanden prees. Hij kon Brahms eerlijk huldigen als een die steeds met vasten stap zijn weg was gegaan den tegenstanders eerbied inboezemend, en even eerlijk von Bülow, die na Brahms' pianokwartet op. 60 met Sarasate, Coszmann en Krasselt gespeeld te hebben zeide: Pohl, du bist stehen geblieben antwoorden: Und du, mein Freund, bist zurückgegangen.

Dat negentien jaren vroeger te Karlsruhe door Liszt geleide muziekfeest was in 't geheel geen onafgebroken reeks van revolutionaire daden. Men kreeg er twee-

Sluiten