Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

265

Carl Flesch, die in zijn werk: „Die Kunst des Violinspiels" dikwijls naar het werk van Sevcik verwijst, gebruikt een andere vingerzetting, zoowel bij de kl. t. ladders afwaarts, als bij de gebroken accoorden. Capet wendt in zijn boek: „La technique supérieure de 1'archet", ook een uniformvingerzetting aan bij de toonladders, doch schrijft bij de kl. t. ladders slechts de harmonische voor, terwijl Flesch de melodische gebruikt.)

Bij Jarosy kan men ook van een uniform-systeem spreken, doch de grondgedachte, het beginsel, dat niet het begin is, is van geheel anderen aard, dan dat der andere systemen. Jarosy wil niet voor alle toonladders en accoorden dezelfde vingerzetting, doch den natuurlijken vingerval, in physiologisch opzicht, overal handhaven. J. heeft deze gedachte, volgens hem aan Paganini ontleend, in een systeem uitgewerkt. Een systeem, dat vele vooren nadeelen heeft by de aanwending in de praktijk, d.w.z. bij het spelen van muziekwerken. Men beschouwe maar eens de nieuwe uitgave der 6 Vioolsonaten en Partiten van Bach, beteekend door Oscar Bier 1), volgeling van Jarosy.

De vingerzetting, die Jos. Venzl in zijn „aanhangsel der Lageschule" bij de toonladders schrijft, zal ik laten rusten. Deze cijfertjes zullen door eiken goeden leeraar wel „onder het mes" worden genomen.

En nu ten slotte het werk van collega Heytze: „Uniform-Systeem". Uit het voorafgaande hebben we reeds gezien, dat velen het probleem der toonladder-vingerzetting hebben trachten op te lossen. Is het Heytze gelukt? In plaats van deze vraag te beantwoorden, wil ik eenige vragen stellen en wel deze: Is een volstrekt goede oplossing wel mogelijk? Blijft de oplossing niet afhankelijk van het doel, dat men zich stelt, ten opzichte der toonladders — en accoordenstudie? Is het doel, de toonladders en accoorden ,,an sich" te

1) Edition Steingraber.

oefenen, of deze, zooals zij in de praktijk voorkomen, met haar talrijke, ja, tallooze afwisselingen van rhythme, streek en nuanceering, die de vingerzetting zoozeer beïnvloeden? Ik mag echter veronderstellen, dat H. met het uitgeven van zijn Uniform-Systeem het eerstgestelde doel heeft beoogd en vraag dan: Zijn alle toonladders, gr. t. èn kl. t. (harmonisch en melodisch), uniform gebouwd? Is de intervalverhouding bij gr. en kl. t. toonladder dezelfde? Mist de melodisch dalende kl. t. ladder niet de leidtoon-schrede, die de gr. t. en harm. kl. t. ladder wel bevat? Als deze vragen juist beantwoord zijn, is het dan logisch een gelijke vingerzetting te gebruiken voor de ongelijksoortige toonladders? Is dan de vingerzetting, zooals ze in de „Urstudien" van Flesch en in het 3 e deel van Davisson staat, niet natuurlijker? 1)n.l. één uniform-vingerzetting voor de gr. t. en één voor de kl. t. ladder. Een absoluut uniform-vingerzetting voor alle toonladders kan toch niet bereikt worden. Op blz. 20 (Heytze) zien we bij No. 2 en 9 (As en Es) een opheffing der uniformiteit, evenals bij 8 en 9. Bij 8 een tertsensprong, bij 9 den quartensprong. Zeer juist, maar niet uniform. Het is nu eenmaal een noodzakelijkheid, dat we systematisch moeten onderwijzen en daarvoor systematisch leermateriaal moeren hebben, terwijl onze kunst en de wijze, waarop zij „getoond" moet worden, zich niet laat systematiseeren.

Zie op blz. 24: gebroken tertsen bij No. 2. Zal een solist, gelet op het accent, de aangegeven vingerzetting ooit aanwenden? En in no. 5 en 6, gelet op het bindingsboogje? Hier is de uniformiteit links gehandhaafd, maar rechts opgeheven en bij alle christelijkheid, die er in den lande heerscht, behoeven we bij de toonladderstudie toch niet te doceeren: „de linkerhand mag niet weten, wat de rechterhand

l) Zoover mij bekend, door Leopold Auer ingevoerd.

Sluiten