Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

ons bezwaarlijk dat zijn aard hem dreef naar Spontini's heldengebied en ook moeilijk dat zijn tekstdichter en vriend Romani hem daarheen lokte. Men zal dat terrein wel niet steeds heel duidelijk ontwaard hebben in zijn werk waarmee 't meest is gedweept, waarvan de Haagsche vertooningen rendez-vous waren voor het Leidsche studententype van Klikspaan dat de diplomaat heet, een waaruit ontelbare sopranen in concertzaal en salon het Casta Diva ten beste gaven zonder het zeer obligate koor, en Engelsche matigheidsbonders de wijs van een basaria hadden bij hun genoeglijken vereenigingszang, dien Liszt Wagner deed hooren. Toch heeft het ongetwijfeld een heroïsch onderwerp.

Norma, de heilige profetes en beheerscheres der Galliërs die het Romeinsche juk wilden afschudden, heeft Pollione, legerhoofd der overweldigers en vijand van den in zijn oogen barbaarschen Druïdengodsdienst, haar hart en twee zoontjes geschonken, als haar onderpriesteres Adalgisa, niets daarvan wetend, met hem verloofd en besloten in Rome zijn vrouw te worden, haar de schending der tempelgelofte belijdt en den juist naderenden minnaar aanwijst. De wanhopige versmade wil haar kinderen en zichzelve dooden, schrikt terug, en predikt den opstand. Pollione, tot ontvoering van Adalgisa, die met hem gebroken heeft, in het maagdengewelf van den tempel binnengedrongen, wordt gevankelijk vóór haar gebracht. Zij moet hem op het altaar offeren, maar biedt hem redding tegen verzaking zijner begeerte; hij weigert. Dan verkondigt zij den volke haar schuld, die van Adalgisa verzwijgend, en gaat, door zijn nu herwonnen liefde zoowel als door vergiffenis van haar vader, vorst Oroveso, getroost, den vuurdood met hem deelen.

Bellini heeft Romani's bondige, sterke dramatiseering in twee bedrijven en maar negen „nummers" zoo behandeld dat men de tijdelijk haast weergalooze populariteit zijner compositie gemakkelijk begrijpt. Het technisch gebrekkige, dat erg breed is uitgemeten, beteekent niet veel. Hij zal bij

den de Duitsche klassieken onkundigen daarenboven als een onverschillig lui docent eenigszins beruchten Zingarelli wel weinig geleerd hebben; men kan het zelfs in 't klavieruittreksel merken, aan zeker onopzettelijke kwintenparallellen, maar wie vindt die hier gewichtig? Naar onhandigheid in de vormgeving buiten zulke details behoeft men niet te speuren. Zijn harmoniegang is nergens primitiever en op ettelijke plaatsen interessanter dan men in Italiaansch werk van die periode verwacht; zijn ensemble heel eenvoudig homophoon maar doeltreffend; zijn orkestzetting, waarvoor hij wegens recensies toen beter zorgde dan eerst, in praeludia niet onbeduidend maar soms verrassend expressief, in de begeleidingen nauwelijks meer dan normaal-armoedig en trouwens principieel ondergeschikt. Het vocale was immers voor hem volstrekt hoofdfactor. Zijn reciet spreekt, en zijn lyriek zingt uiterst melodieus. Men kan vragen of hij, die volgens een zijner brieven ten strengste naar vereenzelviging met zijn personen streefde, niet toch zich te veel als vrij melodist liet gaan. Zijn leeduiting, zeer ontroerend in langzaam tempo (waar telkens blijkt hoe Verdi van hem geprofiteerd heeft, speciaal van zijn snikmotieven) schijnt in snelle beweging verdwenen. Maar wij hebben ons voor te houden dat zijn wijzen behooren tot een trant die vanouds veel aan de vertolking toevertrouwde, waarlijk niet alleen in het allegro. Gluck heeft ook als hervormend zoeker naar waarheid van gevoelsopenbaring nog in dien stijl geschreven: beweerde Hanslick niet met recht dat men in Orpheus' beroemde phrase van Euridice's verlies evengoed gefunden als verloren zou kunnen zingen. Wij moeten het eveneens overwegen wanneer ons bij Bellini traditioneele cadensen storen en wanneer in de tertsen- en sexten fioritures van zijn duo's of in de chromatisch dalende roulades van zijn solo's het drama ver weg lijkt. Helpt het ons weinig te bedenken dat hij componeerend de twee Grisi's, Malibran, Rubini, Tamburini, Lablache hoorde, dan blijven wij toch on-

Sluiten