Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

67

De beteekenis van het virtuozendom

door

WILLY D ABLAING.

In onzen modernen tijd zijn virtuoze vocale of instrumentale prestaties hoegenaamd geen zeldzaamheid. Integendeel, zijn we er al lang aan gewoon geraakt, om bij degenen, die het concertpodium als uitvoerende kunstenaars betreden, een virtuoze beheersching van al het technisch apparaat, vrijwel als vanzelfsprekend te beschouwen. Hapert 't daaraan, dan is er hoogstens een verontschuldiging in de omstandigheid mogelijk, dat zekere invloeden (zenuwachtigheid bij weinig routine, om in het openbaar te zingen of te spelen, tijdelijke lichamelijke indispositie of iets vandien aard) den kunstenaar een handicap bezorgen. In alle overige gevallen beschouwen we het als een primaire tekortkoming, een „nog niet rijp voor het podium" zijn, wanneer de solist(e) duidelijk blijk geeft van het gemis eener gave beheersching der techniek.

Wat voor een musiceeren in huiselijken kring, in onderonsjes door den beugel kan, verraadt in de concertzaal onmiddellijk dilettantisme, wordt als zoodanig herkend en veroordeeld, juist omdat men bijna dagelijks gelegenheid heeft — althans in muziekcentra van eenige beteekenis —■ technisch volmaakte „Leistungen" te hooren.

Nu zij men echter uitermate voorzichtig met het maken van verkeerde conclusies en wel in die richting, dat men in vorige eeuwen in dat opzicht hopeloos ten achter zou zijn geweest bij ons, modernen.

Wat we eenerzijds hebben gewonnen — een ontegenzeggelijk geweldige vooruitgang der technische capaciteit bij de groote massa dergenen, die zich aan de toonkunst wijden — zagen we voor een groot gedeelte weer verloren gaan in het onvermogen, waarvan zoovelen harer en hunner blijk geven, om deze eerbiedwekkende technische uitrusting steeds in dienst te stel¬

len van de poëtische idee, hun zieleleven aan te passen en te concentreeren op de tonale beelden van het muzikale kunstwerk, welke op materialisatie wachten, op herschepping.

Wanneer de schitterendste virtuoos — een hij of een zij, een instrumentale of vocale kracht — naast opperste technische beheersching, die niet te leeren, immers intuïtieve gave mist, dan blijft de uitwerking van hun kunst op een waarlijk kunstgevoelig auditorium uitgeoefend, beneden de bedoelingen van dengene, die een inderdaad waardevol werk concipieerde.

Wanneer men dan ook in deze dagen het oor gewetensvol te luisteren legt in onze concertzalen, vooropgesteld, dat men zelf die kostelijke gave heeft meegekregen op zijn levenspad, om ook in re musicali het kaf van het koren te onderscheiden, dan stemt het niet zelden droef, te ervaren hoe vaak het geschieden kan, dat van een evenwichtige verhouding tusschen de kunst van het handwerk en waarlijk hoog begrip van het innigste wezen der muziek, geen sprake blijkt te zijn.

„In der Musik", zei Hans von Bülow, of was het een ander? — „ist Alles schwer." Zoo is het immer geweest en zoo is het nu nog.

Wat baat een superieure viooltechniek — zonder meer — bij de wedergave van Bach's vioolsonaten, bij een Chaconne? Toch veronderstelde die man, eeuwen geleden al, een grootsch technisch kunnen bij den speler. Wij weten het niet, maar weigeren te gelooven, dat een Paganini in staat is geweest, Bach's werk volkomen recht te doen wedervaren. Ware dit zoo, dan zouden zijn eigen composities er vermoedelijk anders hebben uitgezien.

Beethoven's vioolconcert — uit zuiver technisch oogpunt bezien, bevat niets extravagants, wat niet wegneemt, dat het naar den geest een der moeilijkste werken blijft uit de rijke literatuur voor het instrument.

Sluiten