Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Liszt heeft — ieder weet het — de klaviertechniek een geweldigen stoot naar boven gegeven, doch wat baat het den discipel, die ook diens hoogere trap van technisch meesterschap — uiterlijk althans — heeft benaderd, bij de verklanking van een „eenvoudige" Mozartsonate?

Dat volmaakte techniek, wat in wezen de virtuositeit toch eigenlijk uitmaakt, een essentieel bestanddeel onzer kunst vormt, is onloochenbaar. Niet bij toeval waren een Handel, een Bruckner, een Bach geweldige organisten; Mozart, Beethoven en Brahms „klaviervirtuozen". Nauw, ja onverbrekelijk is het technisch kunnen saamgeweven met hun arbeid als scheppend kunstenaar. Dat Wagner niet meer dan een uiterst handig, maar technisch allesbehalve volmaakt pianist moet zijn geweest, is niet meer dan een uitzondering, welke den regel bevestigt. .' ■ | ü

Ziet men in onzen tijd om zich heen, dan zijn ook bijna alle componisten van beteekenis mannen met een virtuose begaafdheid voor een of ander instrument, meestal het klavier (Ravel, Strawinsky, Strauss e.d.).

Geen hunner heeft echter ooit dezen virtuozen aanleg voor uiterlijk vertoon misbruikt en bij hen allen is hij slechts middel geweest, om hun dichterlijke fantasie te bevruchten. Niet anders was het bij den wonderman Chopin, waar sterker dan bij wien ook, een ongeloofelijk technisch kunnen als hèrschepper van eigen scheppingen die betooverende eenheid deed ontstaan, welke zijn optreden in de Parijsche salons epochemakend worden deed.

Nu behoort er — we zeiden het reeds — een fijn op het wezen der muziek ingesteld bevattingsvermogen toe, om te bepalen, in hoeverre een uitvoerend kunstenaar bij de reproductie van een kunstwerk, die wondere gave der hèrschepping tot volmaaktheid heeft trachten te brengen. Dan is 't de glans der techniek, welke niet zelden het onervaren oor op een dwaalspoor leidt.

Het tijdperk van het uiterlijke virtuozendom ligt achter ons, zoo herhaalt men uit den treure en inderdaad is dat gelukkig tot op zekere hoogte het geval. Een avond, waarin een „kunstenmaker" uren lang een beschaafd hedendaagsch concertpubliek tot sprakeloos aanhooren van zijn kunstgrepen zou kunnen brengen — zonder dat de aard van de voorgedragen composities anders brengt dan materiaal om die „tours de force" mee te vertoonen — we denken daarbij aan „voorloopers" van Paganini als een Lolli en mannen van zijn slag — behoort zeker in onze dagen tot de onmogelijkheden. Dat echter het publiek niet altijd datzelfde oordeel des onderscheids bijblijft, wanneer het uiterlijke virtuozendom zich aandient onder de schapevacht van serieuze kunst en zelfs met overigens dragelijke composities, maar zwaar met technisch vuurwerk geladen, voor het voetlicht komt, of wel hoogstaand werk door uiterlijk virtuoos vertoon verminkt en neerhaalt, daarvan zijn er bewijzen te over. Niet zelden komt de eene helft van het auditorium opgetogen thuis over de geweldige prestaties van den daverend toegejuichten X, terwijl een ander deel teleurgesteld de zaal verlaten heeft en niet zelden 's morgens in het verslag der dagbladen zijn scepticisme geanalyseerd en verklaard vindt.

Hoe vaak gebeurt 't niet, dat een oorverdoovend applaus neerklettert na een brillant gespeeld toetje, terwijl de groote „men" een even superieur vertolkt groot klassiek of modern werk te voren vrij gelaten heeft aanvaard.

Toegegeven, den waren kenner zal dat niet licht gebeuren, maar soms blijft 't ook hem vrijwel onmogelijk, zich geheel te onttrekken aan de bekoring van zoo'n walsje „a la Burmester", aan de prikkeling van een in duizelingwekkend tempo eruit gesmeten perpetuum mobile. Verfijnde, pervers-verfijnde uiterlijke virtuositeit, maar met dat al geen haar beter dan de zoo smadelijk veroordeelde acrobatiek van een Lolli en consorten.

Sluiten