Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

in de Vioolsleutel biedt; dus, een standpunt inneemt, dat alle ernstige muziekpaedagogen reeds lang hebben prijsgegeven.

No. 8, de bewerking van het mooie, stille, vredige stuk uit Orpheus van Gluck, maakt — trots de goede en effectvolle schrijfwijs — van het origineel een parodie. Een orkeststuk uit de 18e eeuw, met algemeene miskenning van zijn aard en karakter, in een hoog-modern kleed gestoken.

No. 3 (van CarZ Hirn) teekent een libel met looden vleugels, en van onder tot boven met ripolin beschilderd. Van gratie geen spoor! No. 6 (van den veelschrijver Von Wilm) is een Marsch van de meest conventioneele soort, bovendien op uiterst poovere wijs geharmoniseerd.

No. 5 (Praeludium van Amadis) zou een aardig muziekstukje kunnen zijn, wanneer er wat meer fantasie uit sprak. Het is tamelijk dor. Niet moeielijk, kan het in enkele gevallen wel bruikbaar zijn bij het onderricht.

Wat, voor mijn gevoel, ook aan de Fantasiestücke van Klengel (No. 2) het meest ontbreekt, is . . . fantasie! Behoudens het derde nummer (Intermezzo) maakt alles een drogen, bedachten, verzonnen indruk. Dat Intermezzo onderscheidt zich ook gunstig door ijlen, lichten „Klaviersatz", die in de drie andere dik en taai is.

De wals van Waterman zal goed, met virtuoos élan voorgedragen, zeker indruk maken. Wel denkt men hier aan Moszkowsky, daar aan Chopin, maar in hen heeft een walscomponist zeker goede voorbeelden gekozen. Het stuk, dat ook interessant geharmoniseerd is, is wat moeielijk, maar toch practisch geschreven.

Mij dunkt, onze pianisten konden deze wals wel in hun repertoire opnemen.

Paul Kletzki bewijst in zijn 3 Praludien — gelukkig! — dat het „nomen est omen" niet altijd opgaat. Hij heeft werkelijk iets te zeggen en zegt het op eigen (sterk chromatische) manier. Bij voortduring boeien

konden zijn stukken mij toch niet; daarvoor zijn ze te weinig spontaan, en — ook alweer! — te arm aan fantasie. De nooit ophoudende, kloppende triolenbegeleiding in No. 2 is toch wel erg uit den tijd; het begin van No. 3 lijkt mij té zeer op Chopin geïnspireerd. Aan het slot bereikt de componist wèl een imponeerenden climax, zij 't dan ook (laatste bladzijde!) ten koste van groote technische moeielijkheden.

Het stukje van Ed. Schütt is ouderwetsch en zoet als saccharine; toch zullen zich wel liefhebbers ervoor aanmelden, en als die zoetigheid dan nog ietwat wee wordt voorgedragen, vrees ik het ergste.

Van den Pickwick-bundel van Niemann zou ik het volgende willen zeggen: ik ben een groot vereerder van Dickens en vind de „Pickwick Papers" een van zijn genoegelijkste boeken. Toen ik van de tien stukken kennis nam, in de hoop er de weerspiegeling van des schrijvers geestigheid in te zullen vinden, werd ik bitter teleurgesteld. De muzikale geestigheid, of liever, wat ervoor moet doorgaan, is geforceerd en onnatuurlijk; de componist heeft daarbij een modernen draai willen nemen, en dat is hem niet gelukt. Zijn sterk dissoneerende harmonie-verbindingen klinken — voor mij — bij voortduring als gewilde onnatuurlijkheden.

Het is lang geleden sedert ik voor het laatst nieuwe duitsche muziek onder de oogen kreeg; deze zending heeft mij een sterke ontgoocheling bereid. Moet zij gelden voor een proeve van hetgeen thans de duitsche toonkunst beteekent, dan kunnen wij er alleen uit afleiden: onmacht en een ontstellend gemis van het eerst noodige, fantasie.

Uitgaven van de firma Leduc te Parijs. I. Albeniz: 10 Pièces pour Piano, arr. pour Piano et Violon par C. Cathérine. Nos. 4, Chant d'Amour, 8, Berceuse en 10, Tango.

De Chant d'amour is het minst betee-

Sluiten