Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

117

Personalia.

Dr. G. F. Scheurleer, f

Den 6en is, in den ouderdom van 71 jaren, te 's Gravenhage dr. Daniël Francois Scheurleer overleden.

Wij herinneren ons allen de viering van zijn zeventigsten jaardag, de benoeming tot ridder van den Nederlandschen Leeuw, het internationale gedenkboek, de huldiging door landgenooten hier, in onzen eigen collegekring. Laat ons bij hetgeen thans onder diep leed gezegd moet worden soberheid betrachten.

Hij heeft zich op elk terrein van zijn arbeid onderscheiden, ook aan 't hoofd van zijn groote bankierszaak, in zijn te Dresden geleerd beroep, waarvan hij de belangen als inrichter, voorzitter en eerevoorzitter van de Vereeniging voor den effectenhandel behartigde. Hij maakte zich voor de geschiedkunde van onze zeevaart en zeemacht verdienstelijk door geschriften en verzamelingen, tevens door het presideeren der Vereeniging voor het Nederlandsche zeewezen en der De RuyterStichting. Eveneens was hij president der Frederik Muller-Stichting voor bibliographie. Maar het meeste deed hij voor de historische studie van de muziek en inzonderheid van de. Nederlandsche. Zijn debuutboek van 1878, „Twee titanen der 19e eeuw", Berlioz met Antoine Wiertz verbindend, bewees al zijn aan de schilderkunst zoowel als aan de toonkunst gewijde liefde, waarvan zijn beide meesterstukken van aanschouwelijke beschrijving en welgekozen verlichting getuigen: Het muziekleven van Amsterdam in de 17e eeuw en het uit een werk over Mozart's verblijf ten onzent gegroeide pendant: Het muziekleven in Nederland in de 18e eeuw. Van muziekphilologie gaf hij heuglijke, door een Leidsch eeredoctoraat erkende voorbeelden in zijn editie van Fruytier's Ecclesiasticus en elders. De historische toonkunstwetenschap diende hij met een voor

ieder bestemde bibliotheek en een instrumentenmuseum, binnen onze grenzen eenig en er buiten zelden geëvenaard.

Hij leidde meer dan een kwart eeuw de vereeniging voor Nederlandsche muziekgeschiedenis, redigeerde haar orgaan en verschafte haar de geldelijke mogelijkheid der standaarduitgaven van Sweelinck, Obrecht, Josquin, waarbij zooveel kleinere publicaties kwamen, ook ettelijke voor de praktijk en eenige met zijn commentaar. Hij vertegenwoordigde Nederland bij de muziekwetenschapcongressen, ook als regeeringsafgevaardigde. Hij herstelde het internationale door den oorlog uiteengeslagene samenwerken der musicologen, vormde na toebereidselen die hem vóór den vrede moeilijke reizen hadden gekost zijn Union Musicologique, het genootschap dat het Duitsche centrum door een Nederlandsch heeft vervangen. Meteen ging hij met moderne middelen het weinig ontgonnen studieveld van muziek, dans en tooneel der volken in tropisch Nederland bewerken als aanvoerder van de vereeniging Mudato. Van zijn afzonderlijk verschenen geschriften moeten hier nog De Souterliedekens, Het Vlaardingsche zangverschil, Bijdragen tot een repertorium der Nederlandsche muziekliteratuur, Nederlandsche liedboeken, Mozartiana, Portretten van Mozart en vooral de catalogussen zijner bibliotheek genoemd worden. Van zijn tijdschriftartikelen is nu geen opsomming te beproeven. Ze zijn veelzijdig; ook voor het aanzien van den stand onzer musici had hij hart, zooals onlangs nog bleek uit iets geestigs in Caecilia-Het Muziekcollege, humoristisch protest tegen officieele schatting. Hij was een scherpzinnig en nauwkeurig vorscher, een frisch, helder, levendig en gevoelig schrijver, een sterk initiatiefnemer en doorzetter, een humaan, hupsch, eenvoudig en hulpvaardig man, en een der beste kunstwetenschapbevorderaars van alle landen en tijden.

Sluiten