Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

derlanders het recht dit uit te spreken als dur (u als in hut), doch wil de schrijver dit uitgesproken hebben als doer, dan is er een aanteekening bij noodig, b.v. „verzoeke dit woord als een Duitsch woord uit te spreken", of dan eerlijk te zijn en te schrijven: doer! (of spreekt zulk een schrijver ook over: natoer, koeltoer, poer, koer, enz. voor: natuur, kuituur, puur, kuur, enz.?, consequent zou dat zeker zijn!)

Over het karakter, over de klankvoorstelling, van het molgeslacht valt nog iets te bemerken.

In een overgroot deel der leerboeken wordt de moltoonladder aangeduid als de „treurige toonladder", en dat is maar voor een klein gedeelte juist.

Treurige of sombere gevoelens of toestanden kunnen zeer goed door molklanken weergegeven worden, doch het kan ook met duurklanken geschieden.

De Grieksche nationale toonladder war eertijds de Dorische, dat is: e-d-c-b-a-g-f-e; een reine moltoonladder dus.

De Grieken vonden die niet treurig, maar beschouwden ze als de uitdrukking van kracht en mannelijkheid.

De melodieën in de Dorische toonladder, die ons van de Grieken bewaard zijn gebleven, klinken dan ook niet treurig.

Merkwaardig goed komt daarmede overeen, dat een groot aantal onzer oude volksliederen molmelodieën zijn en een stoer karakter bezitten.

De geuzen denkt men zich vol kracht en mannelijkheid en zulke eigenschappen vindt men ook in de geuzenliederen, en daaronder zijn de molmelodieën wel het pittigste.

In de instrumentaalmuziek wordt het molgeslacht ook vaak gebruikt op een wijze, die heelemaal niet de bedoeling heeft iets treurigs uit te drukken, men zie Scherzo's in Symphonieën enz. (b.v. Mendelssohn in zijn „Sommernachtstraum"; Beethoven's Scherzo in de 9e Symphonie enz.)

Voor onze oude liederen wil ik herinneren aan: O, Nederland! let op u Saeck; Waer dat men sich al keerd of wend; Merck toch hoe sterck; O, Heemskerkck! noijt u kloeke daet; enz., enz., te veel om te noemen, allemaal molmelodieën, vol kracht en leven, doch waarin van treurigheid niets te bemerken is.

Het is dus zaak die treurigheid niet enkel als kenmerk op te geven, doch ook te wijzen op de mogelijkheid om door het molgeslacht scherts en vooral kracht en ernst uit te drukken.

De oefeningen nu die gemaakt moeten worden, om het juiste opvatten en helder voorstellen van toonverbindingen te bevorderen zijn:

Rhythmisch lezen, dat is het streng in de maat noemen van de toonbenamingen der oefeningen.

Dit is weliswaar geen eigenlijke oefening in het hooren, doch meer een oefening voor het oog, en vooral ook voor het maatgevoel.

Het oog moet zoo snel mogelijk het gedrukte notenbeeld ontcijferen, en dit kan niet anders gebeuren dan onder dwang van een of andere tijdindeeling.

Wanneer wij voor het ontcijferen van één notennaam tien minuten nemen, voor de volgende een kwartier enz., zoo zullen wij er eindelijk wel komen, doch van melodie, van muziek, zal geen sprake kunnen zijn.

Hoe eenvoudig een oefeningetje ook is, het zal pas goed klinken, wanneer het in de juiste verhoudingen wordt uitgevoerd.

Die juiste verhoudingen verkrijgt men enkel door het juist en diep doorvoelen van de verschillende maatsoorten, en de bekwaamheid, om die maatsoorten door toongevingen of lichaamsbewegingen uit te voeren.

Solfège stamt, als woord, af van het Italiaansche woord solfeggiare, hetgeen wil zeggen: de toonladdertrappen zingen en benoemen met de door Guido van Arezzo

Sluiten