Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

155

22 „ f Jean Baptiste de Lully 1632—1687.

23 „ fNiccolo Isouard 1755—1818.

*Karl Gottfried Wilhelm Taubert 1811— 1891.

25 „ * Francois Joseph Fétis 1784—1871.

26 ,, f Ludwig van Beethoven 1770—1827.

* Oskar Nedbal 1874.

* Nikolai Alexandrowitsch Sokolow 1859.

27 „ * Paul Marie Théodore Vincent d'Indy

1851.

*Edgar Tinei 1854—1912.

28 „ * Jozef Willem Mengelberg 1871.

* Modest Petrowitsch Moessorgski 1835— 1881.

29 „ f Charles Henri Valentin Morhange, ge¬

naamd Alkan 1813—1888.

30 „ *Bernard E. Scholz 1835.

31 „ fFranz Abt 1819—1885.

j-Johann Christoph Bach 1642—1703.

* Jean Baptiste Charles de Pauw 1852— 1925.

Voor een eeuw maande Ludwig van Beethoven's heengaan de muzikale wereld tot rekenschap van haar verrijking door hem. Zij toonde wellicht meer erkentenis dan het alom verbreid geloof van haar begripsgebrek laat verwachten. Maar wij weten uit sporadische getuigenissen niet genoeg om ons van haar besef een betrouwbaar algemeen denkbeeld te vormen. Zien wij daarom alleen, hoe haar centrum Weenen den gestorvene herdacht.

Beethoven was in zijn woonplaats geen populaire figuur gebleven sinds den in 't eind van 1813 begonnen korten, uiterlijk schitterenden tijd, toen hij door zijn eigenlijk voor Malzel's orchestrion bestemde, maar tot orkestwerk geïnstrumenteerde Wellington-symphonie plotseling de held van den dag werd en zelfs een kapitaaltje van 8000 gulden kon overleggen, dat hij later bewaard heeft voor zijn pupil Karl, den zoon van zijn in 1815 overleden gelijknamigen broer. Rechtsquaesties, het geschil met Malzel en — wat hem natuurlijk veel meer ter harte ging — het proces over 't voogdijschap, dat hij door machinaties van Karl's blijkbaar terecht streng geweerde moeder verloor en met moeite na veel grievende wederwaardigheden terugkreeg om er niets dan verdriet van te beleven,

fnuikten een lange poos zijn scheppingskracht. Ook verergerde zijn doofheid. Hij hielp in April '14 nog een trio, zijn opus '97 uitvoeren en begeleidde nog in Januari '15 den Fidelio-canon en Adelaïde; daarna trad hij niet meer als pianist op, en, al liet hij zich een enkelen keer overhalen tot het dirigeeren van zijn zevende symphonie, hij zonderde zich meer en meer af en werd van gevierde podiumverschijning straatbezienswaardigheid — heeft niet een dorpsveldwachter hem eens als landlooper meegenomen? Een ruim en druk openbaar muzikaal samenleven bestond bovendien niet dan in den schouwburg, waar zijn opera betrekkelijk kort na de vernieuwing van '14 al weer voorloopig verdween. Maar sedert 1820 was er voor zijn kunst een grootere belangstelling, deels misschien tengevolge van onderscheidingen uit den vreemde, deels ongetwijfeld door ijverige, hoezeer als vertolkingen middelmatige propaganda der toen gestichte Concerts Spirituels. In '22 werd het Josephstadtter Theater met zijn Zur Weihe des Hauses geopend en Fidelio door 't Kartnerthortheater op het repertoire teruggebracht. In '24 richtten vrienden der muziek tot hem een adres om premières van zijn werken te Weenen. Tweemaal werd de negende symphonie gegeven, benevens drie ,,groote hymnen" der al te Petersburg uitgevoerde Missa Solemnis. En wel vielen die twee concerten hem geldelijk tegen; eerst kreeg hij 420 gulden, de tweede maal bij deficit een hem gewaarborgd bedrag van 500 maar in '26 vonden zelfs de zoo bezwaarlijk goed te spelen en ook zoo moeilijk goed te begrijpen laatste kwartetten een verrassende geestdrift; stukken er van werden gebisseerd. Toen zijn levenseinde naderde, behoefde niemand te vreezen voor een herhaling van de schande der onverschilligheid bij Mozart's begrafenis. Trouwens, Haydn's uitvaart in 1809 was een zeer waardige geweest, en wel kwam de lof voor 't initiatief tot dat eerbewijs aan 't commando der Fransche bezetting toe, maar in alle hoofdsteden van

Sluiten