Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

157

wordt ontleend.

Von Seyfried schreef naderhand bij de transcripties tekstvertalingen (Ach, erbarme dich, mein Schöpfer en Reinige, Vater, mich, nimm von mir die Schuld der Sünde) benevens klavierpartijen en deed ze met een toen ook uitgevoerd eigen mannenkoor, Libera me Domine, verschijnen in zijn boek van 1832, dat naar den (weinig betrouwbaar gebleken) hoofdinhoud getiteld is „Ludwig van Beethoven's Studiën im General basse, Contrapuncte und in der Compositions-Lehre", maar als aanhangsel velerlei meer biedt, waaronder een destijds zeker door auteurs gecontroleerde, dus alleen reeds daarom denkelijk wel vervalschte documentencollectie, de voornaamste bron van de volgende mededeelingen.

Op den begrafenisdag, 29 Maart, waren de scholen gesloten; ook de jeugd moest weten dat om een koning der kunst werd gerouwd. Stephan von Breuning had bedacht dat de politie voor haar taak niet talrijk genoeg zou zijn, en militaire hulp gevraagd. Uitnoodigingskaarten van „L. van Beethovens vereerders en vrienden" waren voor deelnemers aan de plechtigheid verkrijgbaar in Haslinger's muziekhandel. Men gaf er veel. Overvol werd de ruime binnenplaats van het Schwarzspanierhaus, waarin het sterfhuis was; men moest de toegangspoort voor laatkomende „genoodigden" sluiten eer de ceremonie begon met gebeden en een koor van B. A. Weber, gezongen door acht leden van het opera-personeel, die zich hadden aangeboden als dragers der baar. Een onafzienbare menigte had zich langs de straat geschaard. Toen de deuren eindelijk weer open waren gegaan en de naar buiten getreden stoet omboog, was er ondanks de voorzorgsmaatregelen gedrang: vele volgers konden nauwelijks hun plaats bereiken. Maar verder ontstond geen storing van den optocht, die langzaam trok naar de Drieëenigheidskerk ter lijkinzegening. De volgorde was: de kruisdrager; vier bazuinblazers, de koordirecteur, zestien zangers; de hooge geeste¬

lijkheid; de baar, waarnaast ter weerszijden vier kapelmeesters gingen, de slippen van het rijk versierde dekkleed, houden: Eybler, Hummel, Seyfried en Kreutzer.Weigl, Gyrowetz, Gansbacher en Würfl. Dit gedeelte van den stoet werd geflankeerd door zes-en-dertig kunstenaars en kunstvrienden in rouwgewaad, ieder met een brandende was fakkel in de hand en een tuil witte rozen en leliën in den armstrik; onder hen waren Anschütz, de tooneelspeler, Böhm, de violist, Castelli, de dichter, Czerny, Grillparzer, Haslinger, Holz, Lablache, Mayseder, Schubert, Streicher, Schuppanzigh. Achter de baar volgden Johann van Beethoven, Stephan von Breuning, Schindler, veel aanzienlijken en de leerlingen van het conservatorium en Drechsler's muziekschool.

Het bazuinen-kwartet deed als voorspel het eerste van Beethoven's equalen klinken, het koor als gelijkluidende strophe 't Miserere.

Daarop kwam instrumentaal en vocaal het Amplius lave me.

Dit alterneeren werd naar gelang der wenschelijkheid herhaald. „Das rothe Haus" voorbijkomend hoorde men den doodenmarsch der as dur pianosonate.

Bij de kerkelijke wijding zong het koor van den stoet een door Seyfried als toevoegsel bij Mozart's Requiem geschreven Libera me, dat in 't genoemde boek staat gelijk het toen, zonder begeleiding, is uitgevoerd, een niet oorspronkelijke, maar edel-eenvoudige compositie met herinneringen aan ouden a cappella-stijl.

Van de kerk bracht een met vier paarden bespannen lijkkoets, door een lange rij van equipages gevolgd, het stoffelijk overschot naar Wahring. Op de begraafplaats mocht men niet het woord voeren. Vóór de poort werd een rede van Grillparzer uitgesproken door Anschütz. Von Schlechta liet een gedicht ronddeelen; een van Castelli was in het sterfhuis uitgereikt.

Von Breuning's regeling had dus bepaald dat er één toespraak zou zijn, en niet

Sluiten