Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

207

op drie, vier klokjes (denk aan Bizet's muziek voor 1'Arlésienne) nog bestaat en carillonner heet en niet lang geleden een wijsjesverzameling Guide du carillonneur kreeg, en waar ook de kunstige (hoewel onartistieke) carillonneermachines van Maisonnave, Collin, Bollée zijn vervaardigd, die men evenals in Denijn's uitgewerkte congresverhandeling afgebeeld ziet. Zulke mechanismen worden terecht door den auteur verworpen, maar zijn geloof aan onovertrefbaarheid van het Mechelsche vuisten voetklavier heeft zijn geest van onderzoek een paar malen verbannen: hij had na 't congres niet mogen zeggen dat elke hulpkrachtgebruikende beiaardinrichting bedacht is tot klokkenistengerief en zonder muzikaal streven; ook niet dat het onverklapte geheim van een electrisch klokkenspeeltoestel, waarover een brochure te Straatsburg uitkwam, geen belang heeft. Indertijd zond mij de stadsuurwerkverzorger aldaar op last van den burgemeester, tot wien ik mij gewend had, een brief met nauwkeurige beschrijving en teekening van een curiosum, waaraan wij voor de beiaardkunst werkelijk niets hebben. Maar de brochure loopt misschien over iets anders en Verheyden kende niet de constructie daarin bedoeld, en het is wel wat zonderling te meenen dat electriciteit geen geschakeerde kracht zou kunnen overbrengen met de gev/enschte versterking. Men zal in dit werk geen objectief beschouwer van vraagstukken waardeeren, wel een scherpzinnig en gelukkig speurder, meedeeler ook van een hem door den heer Delamotte, stadsbibliothecaris van „Sint Omaars" aangewezen, door Denijn gekarakteriseerde heuglijke vondst, achttiend'eeuwsch beiaardboek van de Gruytters' collega Dupont te St. Bertin; niet minder een gevoelig en soms dichterlijk vriend van bouw- en toonkunst; een levendig vermaner die suggestief vertelt hoe men zich de teleurstelling en 't verdriet van een onvoldoenden beiaard berokkent; een warmhartig raadgever en pleiter. Veel foto's verluchten den tekst, inzonderheid het eerste gedeelte, het algemeene, dat be¬

halve twee bekende muziekvoorbeelden eenige niet bekende had moeten geven, maar een massa boeiend detail in zeer knappe compositie verwerkt, waarna het tweede stadsgewijs de beiaarden behandelt, ongeveer als mr. A. Loosjes' De Torenmuziek in de Nederlanden. Namenregister (dat mr. Loosjes minder juist als beiaardtechnicus qualificeert) en bladwijzer van hoofdstukken en illustraties volgen. Het algemeene deel heeft een goed besluit, dat Frankrijk een propagandist gelijk Rice toewenscht. Hem is het boek ook opgedragen, en stellig mocht zich dankbaarheid uiten jegens den Amerikaanschen enthousiast, die met een aan Charles Boissevain herinnerende, zachtere, toch onweerstaanbaar dringende journalistieke bekoring Mechelen zoo voortreffelijk dient, Mechelsche koloniën in de Vereenigde Staten sticht, en de litteratuur der beiaardherrij zenis bewonderenswaardig populariseerend opende.

Rice heeft zijn werk van 1915 Carillons of Belgium and Holland, vergroot tot Carillon music and singing towers of the Old world and the New, en dat is door dr. Jantina H. van Klooster verkleind en vertaald tot Beiaarden in de Nederlanden. Onder Nederlanden moeten wij het Nederlandsche stamgebied verstaan.

Het Uitgeversbedrijf De Spieghel zorgde voor een prachteditie met bandontwerp en potloodteekeningen (voorname bouwmeesterschetsen) van N. Ch. Dekker.

De bewerkster liet in die versiering, waarom zij vroeg, een mooi denkbeeld verwezenlijken. Maar zij deed onvolledig wat men van een academisch gevormde verwacht. Zij controleerde haar zegsman niet (van wiens opgaven in de lijst onzer klokkenspellen sommige nooit juist geweest of al lang onjuist geworden zijn, wat zij trouwens moeilijk vermoeden kon); zij noemde het Bossche stadhuisklokkenspelletje slecht

dat is 't niet — en van de Hemony's —

dat is 't maar voor een klein deel; zij ging blijkbaar nooit een beiaard bekijken, verschafte zich geen inlichting over klokken-

Sluiten