Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

219

De laatste had gewoonlijk 5 of 6 snaren, en op de toets waren baren aangebracht om het afdrukken der snaren te vergemakkelijken. Deze soort onderscheidde zich van de violoncel doordien ze meestal een vlakken rug had, en de romp naar boven langs den toets was toegespitst in plaats van afgerond, 't Was een populair en allerwege verspreid instrument. Toen de nestor der Indische geschiedschrijvers, ds. Francois Valentijn, in 1685 als jong predikant op zijn eerste uitreis naar Indië was, bracht hij een bezoek aan boord van een ander schip, waar een der passagiers na den maaltijd „een fraey Muzycqstuk op de Viool di Gamba speelde dat my, een groot liefhebber der Muzycq, wonderwel beviel". Behalve liefhebber was hij echter ook beoefenaar der muziek; hij had een goede zangstem, bespeelde de handviool en het klavecimbaal. Later woonde hij te Batavia een concert bij van Europeesche muziekliefhebbers; doch de muziek in Indië werd destijds voornamelijk beoefend door muzikaal afgerichte slaven, de z.g. speeljongens, waarvan elk aanzienlijk huishouden onder zijn talrijk slavenpersoneel een klein korps onderhield. Valentijn schreef daarover:

„Ik woonde op Batavia een zeer fraey Muzycq by, alwaar de Heer Abraham van Riebeek, Geheymschryver harer Edelheden hij was de zoon van den stichter

der Kaapkolonie, en werd later gouverneur-generaal — de Basso continuo speelde, ik den Tenor zong, den Notaris Bolswaart op de Flute douce, en de Vendumeester Taalman nevens anderen op de Handviool speelden; dog een volmaakt Muzycq dede my de Heer Kleyer, Japans Opperhoofd in zyn huys, enkel van zyne Slaven, die meesterlyk op alle instrumenten speelden, hooren' .

Deze flute douce, door den ouden kroniekschrijver vermeld, was de bekfluit of zachte fluit, waarvan D. F. Scheurleer berichtte, dat ze in allerlei afmeting en toon¬

hoogte vervaardigd werd; basinstrumenten van 6 voet, kleinere in 7 of 8 formaten en fluitjes van weinig meer dan een vinger lang, die dikwijls gebruikt werden om kanarievogels te dresseeren. Over de bekfluit schreef dezelfde:

„Door den bek wordt de wind tegen een scherpen kant aangeblazen, waardoor het geluid ontstaat; zonder eenige moeite kan daarom ieder tonen aan dit instrument ontlokken. Men behoeft zich alleen de vingerzettingen eigen te maken. Er is zoo weinig met deze fluiten te bereiken, dat zij geheel afgedaald zijn tot speelgoed. Allerlei pogingen om de bekfluit als flageolet weder praktisch in het orkest aan te wenden, zijn vruchteloos gebleven. Als volksinstrument is het in veler handen geweest. *)

(Wordt vervolgd.) hiihh iinininiiiiimmiiiiiimiiiniiiiiiiiiiiuiinininini

llllllllllllll]lllimmmmMmi'im"i'mm"i'm|'""1"1" -

Personalia.

Mgr. J. A. S. van Schaik. f Voor nagenoeg een maand overleed te Culemborg in het Barbaragesticht na langdurige ziekte de 64-jarige Mgr. Joannes Antonius Stephanus van Schaik, president van het Klein-Seminarie ter plaatse. Hij was niet enkel als priester en vormer van geestelijken maar ook als toonkunstenaar een geëerbiedigde figuur. Voornaam compositietalent tot meesterschap in vocalen stijl ontwikkeld aan de Regensburgsche kerkmuziekschool bewees hij met missen en Te Deum's vele hymnen, een oratorium St. Jozef, een cantate voor 't gouden feest van het seminarie te Rijsenburg en muziek bij Vondel's Joseph in Dothan. Tevens heeft hij ruim dertig jaren door invloedrijke medewerking aan het St. Gregoriusblad zijn kunst gediend. De naar zijn opvatting eenig juiste vertolking van het Gregoriaansch heeft hij lang geleden ook eens in Arnhem voor talrijke hoorders verklaard en met medewerking van

*) Amsterdam in de 17de eeuw. Het Muziekleven.

Sluiten