Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Het Praatje van de Maand.

Het is zoo ouwerwetsch, zoo afgezaagd om in deze maanden altijd van den „Komkommertijd" te spreken. Met meer recht zouden wij tegenwoordig van „examen- en reistijd" kunnen gewagen; inderdaad: men legt examen af voor Muziek en „men" is in dit geval een zoo veelhoofdig begrip, dat ik mij afvraag: wanneer er niet een heeleboel zakken, waar moet het dan in hemelsnaam naar toe? Wanneer het in dit tempo door blijft gaan, zie ik een tijd aankomen waarin voor iedere Nederlander twee muziekleeraren of -leeraressen gereed zullen staan! Bij honderdtallen komen de candidaten aanzetten; met een diploma in de hand komen wij door het gansche land, denken zij. Hoeveel teleurstellingen wachten hen, hoe zullen zij allen binnen tien jaar ontnuchterd zijn, wanneer zij voor weinig geld door weer en wind van de eene les naar de andere moeten hollen. Want dat is het voorland van al die middelmatigheden! Ik ken er zoo eenige! Met heel hard studeeren hebben zij het zoover gebracht, dat zij toonladders kunnen spelen in tertsen en sexten en tegenbeweging, dat zij gebroken dominant septime accoorden kunnen spelen in grondligging en in de omkeeringen, maar voor het overige is het foei leelijk, zonder eenige bekoring welke piano-kunstspel eigen moet zijn. Wanneer zij het dan met hard werken zoover gebracht hebben, dat zij ook in staat zijn op een kunst- en geestelooze wijze te moduleeren van A naar Es (alles even schoolsch en naar, zonder een greintje fantasie of vernuft; als er maar geen kwinten of octaven in zitten zijn onze muziekonderwijzers al heel voldaan) en dat zij trouw uit de muziekgeschiedenisboekjes van mijnheer Belinfante geleerd hebben, dat het organum van Hucbald „barbaarsch" klinkt en hoe de oude Grieksche toonladders heeten, welnu, dan slaagt de candidaat voor zijn examen! En zoo wordt het land bevolkt met een muzikaal — of liever een onmuzikaal — proletariaat

van je welste! De Nederlandsche vader die vol wanhoop zegt: met die jongen van mij is nu letterlijk niets te beginnen, heeft altijd als troost, dat de nietsnuttige zoon voor muziekonderwijzer opgeleid kan worden. Er zal maar één middel tot redding zijn: de examens moeten heel streng worden en iedereen die geen duidelijke blijken van muzikaliteit geeft moet onherroepelijk afgewezen worden.

Examentijd en reistijd. Reistijd niet in dien zin dat de welgestelden er met hun gezin tusschen uit trekken, want dat is altijd zoo geweest, maar in dezen zin, dat heele orkesten en koorvereenigingen de wereld in trekken. Pas was het Concertgebouw-orkest thuis van de reis door Duitschland en Zwitserland of de Amsterdamsche Koninklijke Zangvereeniging Apollo onder leiding van Fred. Roeske is voor een paar weken naar Boedapest en Weenen vertrokken. Uit alle berichten heeft men kunnen lezen, dat het een bijzonder geslaagde reis geweest is, waaraan de leden van Apollo zeker met het grootste genoegen terug zullen denken.Thans wordt er naar ik verneem weer een andere reis voorbereid: de Christelijke Oratorium Vereeniging „Excelsior" uit Rotterdam onder leiding van Bernard Diamant is gevraagd een paar uitvoeringen te komen geven te Parijs en de kans is groot, dat de vereeniging aan die uitnoodiging gehoor zal kunnen geven. Zoo een, twee, drie gaat het natuurlijk niet; men begrijpt wat er aan het regelen van zoo een onderneming vastzit!

Wat het muziekfeest van de Duitsche Toonkunstenaars te Krefeld aangaat, iedereen is het er over eens, dat de oogst zooals gewoonlijk weer uiterst schraal genoemd moet worden; het is nu al zoo een jaar of tien achter elkaar dat die vereeniging aankomt met niets dan middelmatigheden; derhalve zal zij meer en meer verdrongen worden door de „Internationale vereeniging voor moderne Muziek" die een feest te Frankfort gegeven heeft, waarvan

Sluiten