Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

235

zincken, met een kegelvormige verwijding naar het ondereinde en zonder kleppen. Aan de fagot (Ital. fagotto), een uitvinding van den canonicus Afranio te Ferrara en die in verschillende grootten voorkwam, was verwant het korthout (kortholt, courtaut). De schalmeien, houten blaasinstrumenten overeenkomende met de tegenwoordige hobo, waren vooral in gebruik bij de stadsmuzikanten, die daarop des morgens uit de vensters van het raadhuis hunne melodieën uitvoerden. Vandaar dat Vondel in zijn vers op de „Inwijding van het Stadhuis" schrijven kon: Hier blazen schuiftrompet en kromme en rechte fluit Orlandoos grooten geest ter heerenvensteren uit — In 1562, toen er te Amsterdam vier stadsmuzikanten of „trompers" hun proef zouden afleggen, moesten zij daarvoor gedurende drie dagen des middags uit de vensters van het stadhuis op schalmeien spelen. Zij ontvingen daarvoor ieder vijf stuivers voor elke uitvoering.

De trompetten en bazuinen (schuiftrompetten) weken weinig af van den lateren vorm; alleen was er van kleppen of pistons geen sprake. Het vraagstuk om aan de trompet een meer open, krachtigen toon te geven werd eerst later (1803) opgelost, toen de instrumentmakers Weidinger te Weenen en Kellner te 's Gravenhage bijna tegelijkertijd het instrument van kleppen voorzagen en zoo de bugle of trompet a clefs vervaardigden. In de oudheid werd de rechte zilveren trompet, die eindigde in een klokvormig mondstuk, meer voor godsdienstige, de koperen klaroen voor militaire doeleinden aangewend. Toen koning Salomo den tempel van Jeruzalem inwijdde, bliezen 120 priesters van den tempelberg de trompetten, opdat hun schetterende en doordringende toon aan de menigte zoude verkondigen.dat de Ark in de heilige plaats werd gebracht.

Een eigenaardig instrument was de doedelzak, ook muzelle (moezel) genoemd, dat in later tijd slechts gezien zou worden bij reizende muzikanten, Schotsche herders

en het Engelsche regiment Hooglanders, maar dat toch reeds in de oudheid bekend was. Met name in Perzië, Egypte en Fenicië; en vermoedelijk werd het ook be doeld met het instrument „akkoordgezang" in het Boek Daniël (III, 4 en 5) waar de heraut van koning Nebukadnezar het volk oproept om het gouden beeld in het dal Dura te aanbidden:

„Ten tijde als gij hooren zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, des akkoordgezangs en allerlei soorten van muzyk, zoo zult gijlieden nedervallen en aanbidden, enz."

Wellicht had dit oude instrument niet geheel den vorm van een lederen zak, waarin de speler lucht blaast, welke hij alsdan door drukking met den elleboog in een soort van schalmei met vier of meer toongaten perst; terwijl zich bovendien aan den zak nog eenige schalmeien bevinden, die in den bastoon blijven ruischen. Onder de automatische muziekpoppen in het Oude Doolhof te Amsterdam bevond zich ook een doedelzakspeler. Met den hoorn uit het Boek Daniël werd bedoeld de oudste soort van bazuin, gemaakt van een ramshoorn. Een zeer lange, aan het uiteinde naar boven omgeslagen bazuin was in het oude Israël de nationale trompet, die het volk bijeenriep en de godsdienstige vervoering moest opwekken. Over den val van de muren van Jericho bij het beleg door Jozua leest men: „En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen vóór de Ark, en gijlieden zult op den zevenden dag de stad zevenmaal omgaan en de Priesters zullen met de bazuinen blazen".

Een rommelpot of foekepot (van foeken: stooten of stommelen) was gewis een nog vrij wat kunsteloozer instrument dan een doedelzak, 't Was een pot met een blaas overspannen, waardoor in het midden een rietje of stokje was gestoken. Door de vochtige hand om dit stokje op en neer te bewegen, werd een rommelend geluid voortgebracht; op Driekoningen lie-

Sluiten