Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

253

van Aribo aangaande het verschil in melodievorming bij de Germanen en de Italianen: hij onderscheidt in het kader van de eerste kerktoonsoort 5 species diatesaron d.z. 5 groepen die een quart omvatten en in deze groepen drie bewegingsmogelijkheden: saltatrix, spissa en ternaria d.w.z. quartsprong, doorgaande trapsgewijze beweging en onderbroken beweging in een richting (dus b.v. d e g of d f g of g e d enz.) Deze zijn van verschillende aesthetische waarde: alle saltatrices zijn goed: „deze zijn echter bij ons meer bemind dan bij de Longobarden; de laatsten houden van trapsgewijze melodievoering, wij daarentegen meer van de springende," een verschil tusschen romaansche en germaansche muziek, dat men door de geheele muziekgeschiedenis kan opmerken, zooals Dr. Fellerer terecht opmerkt.

We kunnen bij de buitengewoon knappe en interessante bespreking van dit belangwekkende tractaat niet verder stilstaan, slechts willen we nog de opmerking overnemen, dat Aribo reeds het oor als hoogste autoriteit in muzikale vragen erkent en zoodoende reeds een veel moderner standpunt inneemt dan zijn tijdgenooten. Modern is ook de groote belangstelling, die Aribo voor de wereldlijke muziek heeft, ofschoon hij een diepe minachting koestert voor de „insani homines" die zonder kennis der theorie muziek uitvoeren en die bij vergelijking met een ezel aan het kortste einde trekken.

Ook monumenten van practische muziek uit dezen tijd zijn bewaard, deze zijn evenwel in neumenschrift geschreven, zoodat ze niet te ontcijferen zijn. Een eigenaardige plaats neemt een huldigingslied ter eere van den intocht van keizer Hendrik IV te Freising in het jaar 1084 in: de in den Renaissance-tijd zoo veelvuldige verheerlijking van wereldlijke heerschers door muziek, die het aanzijn gaf aan zoovele huldigingsmotetten, als van

Crequillon en Clemens non Papa aan het adres van Karei den Vijfden, van Petrus Massenus, Vaet en Lasso voor Oostenrijksche aartshertogen en Beijersche vorsten, was in de middeleeuwen iets zeldzaams.

Belangrijk voor de voor-geschiedenis van de opera zijn ook de berichten over geheel gezongen Kerstspelen (herders-, drie Koningen- en Rachelspelen), voor de geschiedenis van het Duitsche kerklied de bespreking van het z.g. Petrus-lied, dat in neumenschrift bewaard is gebleven. Het stamt uit de 9e eeuw, is het oudste gecomponeerde Duitsche lied en het eerste voortbrengsel van geestelijke Duitsche lyriek, dat tevens bewijst, hoe reeds in de vroegste tijden het kerklied in de volkstaal naast de officieele latijnsche gezangen in de christelijke kerk was toegelaten.

Terwijl in Italië reeds in de elfde eeuw het diastematische neumenschrift (neumen op lijnen) begon te overheerschen, bleef men in Duitschland tot in de XlVe eeuw aan de oude onpraktische schrijfwijze zonder lijnen vasthouden, (ofschoon de door Guido ingevoerde verbetering niet onbekend was) waardoor de melodieën uit dezen tijd voor ons verloren zijn. In een codex uit de XIV eeuw bevindt zich de eerste meerstemmige compositie die te Freising bewaard is gebleven, ook deze is genoteerd in neumen zonder lijnen en niet in mensurale noteering; toch kan men nog vaststellen dat deze kompositie homophoon gezet was, waardoor deze wijze van noteeren tenminste nog mogelijk was.

Na het begin der dertiende eeuw begint Freising meer en meer zijn belangrijkheid als centrum van het cultureele leven van Zuid-Beijeren te verliezen: aan de ontwikkeling der „Discantus", Ars antiqua en Ars nova heeft Freising geen deel. Een opleving komt eerst tegen het einde der 15e eeuw, wanneer de hooge vlucht die de toonkunst in de Nederlanden genomen

Sluiten