Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

266

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

De oorlog had in 1914 een jonge Hollander, die in Duitschland reeds carrière gemaakt had, naar zijn vaderland teruggejaagd: Siegfried Blaauw moest zijn eervolle positie aan het Conservatorium te Dantzig verlaten, omdat het Nederlandsche leger zijn diensten verlangde. Toen hij in 1916 zijn militaire jas (ik geloof maar heel bescheiden een korporaalsjas; wanneer ik Blaauw in rang tekort doe moet hij het me maar vergeven en het wijten aan gebrekkige kennis van militaire zaken) weer uit kon trekken en hij, als zoovele landgenooten, eigenlijk overnieuw beginnen moest, kwam bij hem een stout denkbeeld boven. Hij besloot te Rotterdam een groot instituut voor muziekonderricht te stichten. Dat scheen velen toen een allergewaagdste onderneming toe; wij leefden destijds immers in de duurste jaren die de wereld ooit gekend heeft! Een groot huis huren kostte een massa geld, een groot huis inrichten kostte nog meer. Wat moest men niet betalen voor een gewone stoel, voor een doodeenvoudig tafeltje, voor een schoolbord, voor een doos krijt, voor pennen, papier en potlooden, voor een complete kantoorinrichting, voor vier vleugelpiano's en acht pianino's. Er zou een heel kapitaal noodig zijn en dan was het maar de vraag of de zaak ooit de rente zou kunnen opbrengen. Ik herinner me nog levendig, dat vele Rotterdammers erg sceptisch gestemd waren en gering vertrouwen koesterden in Blaauw's kansen tot slagen. Maar Siegfried Blaauw behoort tot dat soort menschen, dat krachtiger aanpakt naarmate er meer tegenwerking is. Hij had dat plan nu eenmaal gemaakt, wilde het niet opgeven, ook omdat hij zelf ervan overtuigd was, dat het goed zou gaan.

Het kapitaal kwam bijeen; een mooi gelegen huis werd gehuurd en keurig ingericht, goed bekende leerkrachten werden aangesteld en dies had Blaauw binnen een half jaar klaargespeeld wat velen voor on¬

mogelijk gehouden hadden: 1 October negentien honderd en zeventien kon de school aan de Mauritsweg geopend worden. Voor viool was er Aldo Antonietti en Rudelsheim, voor zang Elise Menage Challa, voor piano mevrouw Mossel—Belinfante en Carolien Lankhout, Max Orobio de Castro kwam weldra voor de violoncelklasse. Alleen de laatstgenoemde is nog aan de school verbonden.

Ik zal natuurlijk hier niet de geschiede- • nis van het conservatorium gaan vertellen, het zou mij te ver voeren; laat me alleen mogen zeggen, dat de met even dertig leerlingen begonnen school weldra in bloei toenam. Blaauw had allerlei voortreffelijke gedachten; hij begon dadelijk met het inrichten van conservatoriumconcerten met medewerking van de aan de school verbonden leerkrachten, concerten die een attractie waren voor velen en die natuurlijk spoedig den kring van Blaauw's connecties sterk vergrootten. En dan: vriend van Blaauw zal het gaarne, en vijand van hem moet het toegeven, dat hij een buitengewoon organisator is; na verloop van een paar jaar rijk aan moeilijkheden — die allen met onmiskenbare cranerie overwonnen werden — zat de geheele onderneming zoo goed in elkander, dat het wel de aandacht van de buitenwereld trekken moest. Bestuursleden van een eenigszins kwijnende stichting voor Muziekonderricht te 's-Gravenhage kwamen ervoor naar Rotterdam om de inrichting van de school te bestudeeren en het gevolg was dat de heeren kort daarna Blaauw naar den Haag riepen; hij was de man om de zwakke onderneming weer op de been te helpen. Blaauw was nu directeur van twee scholen, een in de Maasstad en een in de Residentie. Edoch, zelfs een sterk man kan te veel van zichzelf eischen; na verloop van een paar jaar werd het duidelijk, dat de dubbele taak te zwaar zou worden, temeer omdat beide scholen voortdurend in om-

Sluiten