Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

272

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Boekbespreking

door

WOUTER HUTSCHENRUYTER.

Deutsche Musikbücherei Band 49: Anton Bruckner, Gesammelte Briefe, herausgegeben von Franz Graflinger. — Pr. geb. Mk. 2.50.

Band 55: Anton Bruckner, Gesammelte Briefe, Neue Folge. — Gesammelt und herausgegeben von Max Auer. — Pr. geb. Mk. 4.—.

Het wekt allicht verwondering, dat bij één uitgever twee bundels brieven van denzelfden schrijver verschijnen; dat is echter gemakkelijk te verklaren. De deelen 49 en 55 van de D. Mus. Bücherei bevatten, resp., 153 en 326 brieven. Daarvan komen 78 in beide deelen voor, zoodat dl. 49, vijf en zeventig brieven bevat die niet in deel 55 zijn opgenomen, en dit laatste weer twee honderd acht en veertig, die men niet vindt in deel 49.

Wie dus prijs er op stelt de correspondentie van Bruckner zoo volledig mogelijk te leeren kennen, schaffe zich de beide deelen aan.

De prijs kan nauwelijks een bezwaar zijn. M-M

Zooals het gewoonlijk gaat wanneer men de particuliere briefwisseling van een groot man doorleest: men leert Bruckner door deze brieven van alle kanten kennen; men ziet dat hij veel goede en hooge hoedanigheden bezat, maar ook dat hem een aantal kleine en onbeteekenende eigenschappen aankleefden.

Zoo heeft hij eigenlijk nimmer het karakter van kruipend-nederig boertje afgelegd. Hij schrijft boven een brief aan Hans von Wolzogen „Hochgeborner Herr Baron!" en begint dan „Gestatten mir Hochderselbe"; hij doet een verhaal van zijn ontmoeting met Richard Wagner en gebruikt daarin de uitdrukkingen: „Hochselber", „Hochseine Hand", „Hochwelcher" enz., enz.; een brief aan Hans von Bülow vangt aan: „Hochwohlgeborner, Hochver„ehrtester Herr Hofkapellmeister! Ent-

schuldigen Herr Baron gnadigst (sic!) „dass ich Euer Hochgeboren mit einer Bit,,te belastigen muss,und zwar in einer Zeit, „wo jeder Augenblick für Hochselben goldern ist".

Met die nederigheid houdt nauw verband zijn „naloopen" van de recensenten en van een ieder die maar met de courant iets had uit te staan, en — zooals het den „recensiejagers" steeds gaat: Bruckner werd wantrouwig; hij verdacht andere kunstenaars ervan hem tegen te werken. Staaltjes van het eerste vinden wij in een brief aan Rud. Weinwurm „nur muss ich vorher ,,an die H. Recensenten schreiben"; in een anderen, aan denzelfden, vraagt hij, een van zijn partituren aan Dr. Hanslick „u. vielleicht auch anderen Herren seines Amtes" te doen „Zukommen"(N.B. aan Hanslick, dien hij hartgrondig verfoeide). Herhaaldelijk lezen wij dat Hans Richter hem tegenwerkt en allerlei kwaad van zijn symphonieën zegt: ook kan hij niet begrijpen, dat deze met de felste tegenstanders van Wagner „intimmst zu sein versteht". In een anderen brief weer heet het, dat Richter nooit iets nieuws uitvoert: „Er blast in Hanslicks Horn"; hij geeft in een P. S. een lijstje van de verslaggevers die tegen hem zijn, en noemt daarbij Hanslick en zijn beide „adjudanten" Kalbeek en Dömpke, vraagt echter tevens niets te doen om Hanslick beter te stemmen, „den sein Zorn ist schrecklich", en verder: „Mit ihm ist nicht zu kampfen. Nur bittend kann man an ihn herantreten." Is dat alles niet teekenend?

In Brahms zag Bruckner een gevaarlijken en — dwaling „van de ergste soort"! — oneerlijken mededinger; éénmaal schrijft hij: „Herr Brahms behandelt mich beinahe „krankend", een ander maal klaagt hij dat Richter, die hem veertien dagen geleden een „verrückten Menschen ohne Form" zou hebben genoemd, wederom de Ille van Brahms (die aonntag wieder durchgefallen sein soll, sic!!) heeft uitgevoerd. Nog weer later bericht hij dat men hem van Hans-

Sluiten