Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

286

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

della Sabia — De Dans van den Wind met het Zand).

b. „Allah' O' Abba!" (Inno Orchestico all' Eterno — Orchestische Hymne aan den Eeuwigen).

c. Preludio Cromatico, naar Dante.

d. Sarabanda (Fugato lineare). (Prijzen niet aangegeven.)

Wanneer ik zou beweren, dat de naam Litta aan ten hoogste een half dozijn Nederlanders bekend zal zijn, geloof ik niet te kras te hebben gesproken. Ik zelf moest, toen de bovengenoemde composities, vergezeld van een vriendelijken brief, mij bereikten, mijn geheugen opfrisschen en mij afvragen „waar en wanneer heb ik dien Litta ontmoet."

De inhoud van den brief kwam aan mijn pogingen tegemoet: ik zag voor mijn geest een jong, vurig, zwartharig Italiaan, die even rap als gebrekkig Fransch sprak; die ruim dertig jaar geleden in een van mijn concerten te Utrecht optrad, en — laat mij dat vooral er bij voegen! — bewijzen van een zeldzaam groot muzikaal talent gaf.

Hij speelde met schitterende techniek een van de pianoconcerten van Liszt, en toonde daarin, dat (toen!) de materie voor hem nog boven den geest ging; hij liet den psychischen inhoud van dat concert (dien ik, trots veler afkeurende meening, voor groot en hoog houd) niet zijn volle recht wedervaren.

Maar hij bewees in ieder geval een pianist van stavast te zijn.

Ik dirigeerde toen ook een orkeststuk, door hem gecomponeerd; een symphonisch gedicht, waaruit met succes een reincultuur van virulente Wagner-bacillen te kweeken zou zijn; quasi een tweede (niet verbeterde) uitgaaf van den Feuerzauber uit „die Walkure".

Wij hebben elkander na dit concert niet meer gezien, maar Litta had mij niet vergeten. Dat bewees hij door het zenden van zijn composities.

Die hebben mij levendig geïnteresseerd; schoon zij zich bewegen in een richting die ik onmogelijk volgen kan, hebben zij mij bewezen dat de componist Litta zich ontwikkeld heeft, dat hij iets vertelt en dat op een zeer bizondere, oorspronkelijke manier. Hij heeft zelfs een geheel uitzonderlijken kunstvorm bedacht: het dans-poëem (dat hij — zonderling! — kamer-sonate [sonata da camera] noemt).

Voor de uitvoering verlangt hij een danseres (bij enkele een zangstem) en een begeleidend, schilderend orkestje, bestaande uit een piano, een viool, twee pauken, een kleine (zoogenaamde „klinkende") trom, bekkens en triangel. Waar wij staan voor iets geheel nieuws, vinden wij het begrijpelijk, moeten zelfs dankbaar er voor zijn, dat de componist zeer nauwkeurig zijn wenschen ten opzichte van de uitvoering aangeeft.

Een mededeeling, in vier talen, maakt de danseres duidelijk, hoe zij haar taak te vervullen heeft. Zij geeft zoo goed de bedoelingen van den componist weer, dat ik haar — vertaald — hier volgen laat. Zij luidt:

„het hoofdmoment van dezen dans zij „een buitengemeen langzame wijziging van „de bewegingen. Hij moet zijn als een in„dische, rituëele dans, die meer beschou„wend dan bewegend is; meer dan op „werkelijke bewegingen, die met het karakter van de muziek zouden strijden, „moet hij gelijken op een uitstraling, op „een langzaam ontwaken uit halven slaap, „op een beginnende extase. De dans moet „worden uitgevoerd in een beklemmende, „oneindige rust, in geleidelijke stijging en „met een nauw-merkbaar vibreeren —; een „trillen van de zenuwen — een rillen van „het gansche lichaam — zóó zij deze dans, „die met magnetische kracht op den toeschouwer moet inwerken."

Daar worden, in dit gezwollen, overspannen stuk geen geringe eischen gesteld! Eerst het begrijpen van 's componisten

Sluiten