Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

61

Met ultra-moderne muziek beleef je vaak

genoegelijke uren, Maar als je zooiets speelt, dan schaam je je toch vaak voor de buren, Want die denken dan meestal: Dat er een streepje door liep, dat wisten wij al,

Maar nu is hij heelemaal mal!

De moderne komponisten schrijven maar opstellen,

Om het publiek over hun vondsten te vertellen.

Het ware beter zoo zij dit staakten En enkel maar mooie werken maakten.

Wie zal niet voor het nieuwe wezen, Zoo 't met kracht en schoonheid is opgebouwd,

Doch 't wordt een dwaasheid, uitgelezen, Zoo men het nieuwe slechts voor schoonheid houdt.

* * *

Op allerlei kunsten heeft men ons al vergast.

Doch het is verwonderlijk dat nog niemand het vibrato op de piano heeft toegepast.

* * *

Sedert meer dan twee duizend jaren, Is men ons toonstelsel aan het doorzoeken, Doch er is nog wel altijd wat nieuws Te vinden in alle gaten en hoeken.

* * *

„Non omnes sunt kokki", „Qui longos dragere messos", En niet iedereen is een dirigent. Die de maat slaat met een stokkie.

* * *

Als de menschen papperlepap kunnen zeggen, met hun mond wijd open, Dan pas is er op vrede en welwillendheid in de kunstwereld te hopen.

Het Praatje van de Maand.

Het seizoen verloopt ongemeen kalmpjes; de concerten worden te Rotterdam bijna allen slecht bezocht, in de comedies wordt ernstig geklaagd en zelfs de Italiaansche Opera heeft lang niet zoo den loop als andere jaren. De een zegt: het zit hem in de radio, de ander meent dat de bioscopen schuld hebben, de derde en die zal dichter bij de waarheid zijn — geeft als zijn meening te kennen dat er veel te veel te doen is en dat de menschen, die tegenwoordig allemaal min of meer op de duiten moeten passen, geen geld hebben om avond aan avond uit te gaan. Daarbij komt nog dat wij allen door het luisteren naar de denkbaar grootste kunstenaars op ieder gebied dermate verwend zijn geraakt dat het hoegenaamd niet meer interesseert te luisteren naar allerlei tweede en derde rangs menschen. Wat kan het mij, wanneer ik des Maandags de sonate voor viool en piano van Cesar Franck van Thibaud en Harold Bauer! gehoord heb, schelen om een dag later die Sonate van twee beginnelingen te gaan hooren ...

Neen, laten wij het maar ronduit bekennen: de heeren voor wien het organiseeren van concerten een beroep geworden is, hebben er de klad ingebracht, vooral toen er drie of vier kwamen die tegen elkander op concurreeren moesten.

Veel bijzonders is er tot dusverre nog niet geweest, in de opera zeker niet. Van de Italiaansche Opera verdraagt het publiek gaarne alles, op voorwaarde dat er maar groote zangers en zangeressen zijn om de ooren te streelen; dan kijkt men niet naar decors, naar costuums, let men niet op allerlei historische onjuistheden, op slordigheden van de regie, op de armelijke samenstelling van het orkest. Doch wanneer nu de stemmen goed en deels zelfs heel goed, maar geen van allen buitengewoon zijn, dan wordt de zaak moeilijker en dan begint het publiek over velerlei tekortkomingen na te denken en te moppe-

Sluiten