Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

83

Daer lachten ick wat om, en sweegh; wat schade

't mij?

Weer most ick uyt het Land, en bender uyt

gekomen;

De ketterij behaeght, de swacke sijn bekomen, Men gunt het Orgel plaets, men roepter om ras,

ras,

En daer het is van ouds, en daer het noyt en was. Ullipill|«BB|^

Nieuwe herdrukken van leerboeken bij Wolters.

}. B. Wolters' Maatschappij te Groningen en 's Gravenhage heeft ten elfden male Worp's Algemeene Muziekleer uitgegeven, die Van Milligen sedert den zesden druk van 1905 herzag — in 1920 verscheen de negende, vijf jaren daarna de tiende. Het boek draagt een waardig kleed van zwart en goud, dat met een afbeelding zijn ook geschiedkundig onderwijs kan aanduiden. Het is in weerwil van sport en radio, die klaarblijkelijk de toeneming der muziekexamencandidaten weinig remmen, meer en meer een macht geworden. Misschien zou het zelfs Nederlandsche benamingen kunnen invoeren, andere spelling van dur en moll, vervanging van voorsatz (waarin de verdubbeling der o het Duitsch te kenbaar liet), vorhalt (waarin die vermomming niet werd beproefd) opmaat enz. Maar men kan zulk een hervorming moeilijk verwachten als men de liggenblijvende septime zittenkijkenblijvend aanschouwt. Eer mag men op eenige kleinere winsten in den volgenden druk hopen. Het zou goed wezen als zij die „den Grooten Worp" met leerlingen doorwerken rustig een volledige verlanglijst maakten. Dat is mij nu geheel onmogelijk: voor een „herziening" ontbrak mij de tijd en ik sloeg alleen hier en daar iets op. Daarbij vond ik Grieksch Dorisch niet tegenover duur geplaatst; de behandeling der metriek wat onscherp en geschaad door behoud der accentenvoorstelling en een beurtelings bezigen der termen hoogtepunt en zwaar maatdeel; een geslaagde beknopte schets van de leer der tonale functies verstoken van een

zeer noodig voorbeeld om te toonen wat er analytisch mee te doen is; een raad tot ijverig ontleden, ook van Debussy's harmoniegangen aldus illusoir; een sonatinefragment van Kuhlau te vluchtig beschouwd, althans in een onbegeleide passage die gelegenheid gaf om 't harmoniseeren te verbinden met een opmerking over de phraseering; de litteratuuraanwijzing, bijna steeds karig en vaag, in dit geval (waar vermelding van Riemann's bouwstudiën over het Wohltemperirte Clavier en Beethoven's pianosonates te pas kwam) verzuimd, en het instrumentenhoofdstuk lang geen model van nauwkeurigheid. Een „kortere" (lees korte) beschrijving van het orgel voor den bespeler zal juist hèm minder dan 't al bekende brengen; een zetfout roon, waar tong is bedoeld, zal niemand ontgaan. Er had gezegd moeten zijn dat klavicimbels weer vervaardigd worden. Verzekerd zij dat de verticale vleugel (giraffe geheeten) ook met hamermechanisme bestond en vijftig jaren geleden nog in gebruik was (mijn grootvader had er een) en dat contrabassen wel degelijk sourdines hebben. De demper van den hoorn wordt genoemd (ofschoon zonder uitlegging) maar niet de toch veel meer toegepaste zoo karakteristieke van de trompet en die van de bazuin. Het minst voldoet de hoorn- en trompetparagraaf, hoewel het een en ander uit Riemann's voortreffelijke verklaringen er nagenoeg woordelijk in is vertaald. Wat de ventielen zijn, komt men van den schrijver eerst achteraf, terloops en met eenig raden te weten. Als hij zich zal bepalen tot den omvang en de verschillende stemmingen der hoorns, volgt beperking tot den ventielhoorn, en hij laat onderstellen dat men naast een hoogen in f een heel anderen lagen in f heeft, en beweert dat men op den hoogen geen GIS (maar wel G, FIS) kan krijgen en in tutti niet boven c2 gaat. Verder zegt hij dat de clarino van Bach en Handel weeker klonk dan de trompet, alsof 't er eigenlijk geen was, en

Sluiten